Talen scheiden of mixen:

Talen scheiden of mixen:

maakt dat uit voor de taalontwikkeling van meertalige kinderen met en zonder TOS?

28 september 2026 - Leestijd 5 - 10 minuten

Veel ouders die hun kind met of zonder TOS meertalig opvoeden maken zich zorgen: is het mixen van talen slecht voor de taalontwikkeling van mijn kind? Resultaten uit het project Children And Language Mixing (CALM) laten zien dat het mixen van talen door ouders geen verband houdt met de Nederlandse taaluitkomsten van kinderen met én zonder TOS. Voor de thuistaal ligt dit anders: meer mixen door ouders hing samen met een kleinere expressieve woordenschat in die taal.

Header image

Mixen van talen door ouders

Mixen van talen door ouders

Mixen van talen verwijst naar het door elkaar gebruiken van verschillende talen gedurende een gesprek [1]. Dit kan op verschillende manieren. Soms worden talen door één spreker door elkaar gebruikt, bijvoorbeeld wanneer een spreker de verschillende talen mixt binnen een zin (zie voorbeeld 1 hieronder) of wanneer een spreker mixt tussen zinnen (voorbeeld 2). Een specifiek subtype van het mixen tussen zinnen is het mixen tussen sprekers, bijvoorbeeld wanneer een kind in de ene taal spreekt en de ouder in een andere taal reageert (voorbeeld 3). Als we het in de rest van dit artikel hebben over het mixen van talen, verwijzen we hiermee naar al deze verschillende manieren van mixen. Het Engels in de voorbeelden staat cursief gedrukt.

  1. Moeder:   Do you want een toetje?
  2. Moeder:   We gaan eten! Are you coming?
  3. Kind:         Mama, er is een lift!
    Moeder:   No, not the elevator. We’re going to take the stairs.

Het mixen van talen is een typisch kenmerk van meertalig taalgebruik. Volwassenen mixen talen niet alleen in gesprekken met elkaar, maar ook in gesprek met hun kinderen [2, 3]. In een onderzoek met 24 Spaans-Engelse ouders van jonge, typisch ontwikkelende kinderen (1,5 tot 2 jaar oud), bleek bijvoorbeeld dat alle ouders ten minste één keer talen mixten in een korte speelsessie in het lab [2]. Natuurlijk mixt de ene ouder meer dan de andere, waarbij in het onderzoek van Bail en collega’s sommige ouders in wel 33% van hun zinnen mixten (zowel binnen als tussen zinnen) [2]. In een recente studie met 21 Frans-Engelse ouders werd gevonden dat ouders gemiddeld 28 keer talen mixen per uur wanneer zij praten tegen hun kind van 1,5 jaar (1 – 84 keer per uur) [3]. Kortom: het mixen van talen door ouders komt veel voor in meertalige gezinnen, ook wanneer zij tegen hun kinderen praten.

De relatie tussen mixen van talen door ouders en taalontwikkeling

De relatie tussen mixen van talen door ouders en taalontwikkeling

We weten dat de taal die jonge kinderen thuishoren van hun ouders heel belangrijk is voor hun taalontwikkeling, zowel voor kinderen met als zonder TOS [4, 5]. Daarnaast zijn er studies die suggereren dat het verwerken van gemixt taalaanbod lastiger kan zijn dan het verwerken van eentalig taalaanbod [6]. Gecombineerd met het feit dat veel meertalige ouders talen mixen, roept dit de vraag op of het mixen van talen door ouders gerelateerd is aan de taalontwikkeling van kinderen.

Omdat kinderen met TOS moeite hebben met de verwerking van taalaanbod in het algemeen, zou het zo kunnen zijn dat het mixen van talen door ouders voor hen extra lastig is

Omdat kinderen met TOS moeite hebben met de verwerking van taalaanbod in het algemeen, zou het zo kunnen zijn dat het mixen van talen door ouders voor hen extra lastig is. In twee recente studies hebben we dit onderzocht. De eerste studie richtte zich op typisch ontwikkelende kinderen, en onderzocht relaties met taaluitkomsten in het Nederlands en in de thuistaal [7]. De tweede studie keek naar kinderen met TOS, met een focus op taaluitkomsten in het Nederlands [8]. Hoewel we vooral geïnteresseerd waren in de relatie tussen mixen door ouders en taaluitkomsten van kinderen, wilden we ook het mixgedrag van ouders in kaart brengen omdat hier in de Nederlandse context – en voor kinderen met TOS – weinig over bekend is.

Onderzoeksmethoden

Onderzoeksmethoden

Aan het onderzoek met typisch ontwikkelende kinderen deden 52 meertalige kinderen en hun ouders mee. In het onderzoek met kinderen met (een vermoeden van) TOS waren dat 30 kinderen en hun ouders. Alle kinderen waren tussen de 3 en 6 jaar oud en hoorden thuis, naast het Nederlands, een andere thuistaal (bijvoorbeeld Engels, Turks, Pools, Spaans of Arabisch).

Een LENA™ recorderFoto van Merel van Witteloostuijn

Een LENA™ recorder
Foto van Merel van Witteloostuijn

Onderzoekers zijn bij alle gezinnen thuis langs geweest. Tijdens deze huisbezoeken stelden we ouders vragen over het taalgebruik thuis en over het mixen van talen door middel van de Q-BEx vragenlijst [9]. In de Q-BEx vragenlijst moesten ouders aangeven hoe vaak ze hun talen mixen (mixen binnen zinnen, mixen tussen zinnen, mixen tussen sprekers) wanneer ze tegen hun kind praten, op een schaal van “nooit” tot “meer dan vijf keer per dag”. Op basis hiervan konden we een totale taalmixscore berekenen die stond voor het totaal aantal keer mixen per week, waarbij de verschillende soorten mixen samengenomen werden.

Ouders maakten thuis een hele dag opnames waarmee we nog meer inzicht kregen in het taalmix-gedrag in het gezin

Daarnaast maakten ouders thuis een hele dag opnames waarmee we nog meer inzicht kregen in het taalmix-gedrag in het gezin. Deze opnames maakten ouders met een LENA™ recorder (https://www.lena.org/). De recorder wordt in een speciaal t-shirt gedragen (zie foto) en maakt de hele dag geluidsopnames rondom het kind. Delen van deze opnames werden teruggeluisterd en onder andere gecodeerd voor wie er sprak en welke talen er gesproken werden. De delen van de opnames waarin meerdere talen door elkaar werden gebruikt, werden verder geanalyseerd. Uiteindelijk berekenden we uit deze analyse het aantal keer talen mixen door ouders per uur, zowel voor verschillende soorten mixen als voor het totaal. Omdat er heel veel stappen genomen moesten worden om van de opnames naar de uitkomstmaat te komen, verwijzen we geïnteresseerde lezers naar de gepubliceerde artikelen voor meer details over de methoden [7, 8].

De taaluitkomsten van kinderen werden gemeten met de Cross-linguistic Lexical Task (CLT: receptieve en expressieve woordenschat) en de Nederlands CELF zinsherhaaltest (grammatica). Bij de typisch ontwikkelende kinderen konden we, zoals gezegd, de CLT in het Nederlands én de thuistaal afnemen, omdat deze kinderen allemaal Pools-Nederlands of Turks-Nederlands waren. Bij kinderen met TOS deden kinderen met allerlei thuistalen mee, waardoor we alleen informatie over het Nederlands hebben kunnen verzamelen.

In de analyses keken we naar het mixen van talen door ouders en hoe vaak dit voorkwam. Daarnaast onderzochten we de relatie met de taaluitkomsten van kinderen, waarbij we rekening hielden met factoren zoals de leeftijd van kinderen, het opleidingsniveau van ouders en hoeveel Nederlands en thuistaal het kind hoorde. Dit deden we omdat we weten dat deze factoren bijdragen aan taaluitkomsten en we op deze manier het specifieke effect van taalmixen beter konden onderzoeken. In de resultaten die we hier presenteren focussen we op de uitkomsten met betrekking tot de daglange opnames die met LENA gemaakt zijn. De resultaten uit de Q-BEx vragenlijst waren in lijn met deze resultaten, en zijn terug te vinden in de respectievelijke publicaties [7, 8].

Resultaten: mixen van talen door ouders

Resultaten: mixen van talen door ouders

Net als in eerder onderzoek, bleek dat ouders in vrijwel alle meertalige gezinnen mixen, zowel ouders van kinderen met een typische ontwikkeling als ouders van kinderen met TOS. In de studie naar kinderen met een typische ontwikkeling, vonden we dat ouders in de opnames thuis tussen de 0 en 121 keer talen mixten per uur (gemiddeld 29.5 keer in Pools-Nederlandse gezinnen en 31.2 keer in Turks-Nederlandse gezinnen). In de studie naar kinderen met TOS, mixten ouders tussen de 1 en 105 keer per uur in de opnames thuis (gemiddeld 26 keer). Deze resultaten bevestigen dat het mixen van talen een typisch kenmerk is van meertalig taalgebruik, ook in gezinnen met kinderen met TOS, en dat er grote verschillen zijn tussen gezinnen. In sommige gezinnen wordt bijna niet gemixt door ouders, terwijl in andere gezinnen meer dan 100 keer per uur gemixt wordt.

Als vervolgstap keken we naar de verschillende soorten mixen. Voorbeelden 4 (TO) en 5 (TOS) hieronder, afkomstig uit onze eigen dataset, illustreren hoe verschillende soorten mixen binnen een gesprek kunnen voorkomen (mixen staat schuin gedrukt). In voorbeeld 4 zien we zowel mixen binnen zinnen (bijvoorbeeld “ik zoek iemand met crocodile teeth”) als mixen tussen zinnen en tussen sprekers (bijvoorbeeld het kind zegt “mama, kijk!” en de moeder reageert in het Engels met “that is against the rules”). Bij kinderen met een typische ontwikkeling bleek dat ouders veel vaker mixten tussen zinnen en/of sprekers, met gemiddeld 26.0 en 26.4 keer per uur in respectievelijk de Pools-Nederlandse en Turks-Nederlandse gezinnen, tegenover gemiddeld 3.4 en 7.0 keer per uur voor mixen binnen zinnen. In de studie met kinderen met TOS maakten we daarnaast verder onderscheid tussen mixen tussen zinnen en mixen tussen sprekers. We vonden dat juist het mixen tussen sprekers veel voorkwam onder ouders (gemiddeld 18.2 keer per uur), terwijl mixen binnen sprekers minder voorkwam: gemiddeld 2.4 keer per uur binnen zinnen en 12.6 keer per uur tussen zinnen. Mixen tussen sprekers wordt geïllustreerd in voorbeeld 5. Deze bevinding sluit aan bij eerdere onderzoeken over mixen door kinderen zelf, waaruit ook naar voren kwam dat kinderen met TOS vaak mixen tussen sprekers [10]. Daarnaast zagen we dat ouders in gezinnen met TOS vaker de thuistaal spraken terwijl kinderen zelf Nederlands gebruikten [8]. Dit specifieke patroon in ouder-kind interacties wordt op dit moment verder onderzocht.

 4. Kind:          mama, kijk!
     Moeder:     that is against the rules
     Kind:           ik wil niet in mij *verdrietige stem*
     Kind:           ik wil nog een keer splashen
     Moeder:     nog een keer splashen
     Kind:           met geen handen
     Moeder:     okay dat doet je zonder hand
     Kind:           zonder hand
     Moeder:     wat een goeie splash
     Moeder:     ik zoek iemand met crocodile teeth

 5. Kind:          my ipad
     Vader:        ik versta je niet
     Kind:          xxx on my ipad
     Vader:        wat bedoel je?
     Kind:           you pet my ipad
     Vader:        no no I did not touch your ipad

Resultaten: relatie met taaluitkomsten

Resultaten: relatie met taaluitkomsten

De belangrijkste resultaten gaan natuurlijk over de relatie tussen het mixen door ouders en de taaluitkomsten van hun kinderen. Voor het Nederlands vonden we geen bewijs voor een relatie tussen het mixen door ouders en de woordenschat- of grammaticascores van kinderen met en zonder TOS. Voor de ontwikkeling van het Nederlands zijn er dus geen aanwijzingen dat het uitmaakt of ouders meer of minder mixen. Dit geldt zowel voor typisch ontwikkelende kinderen [7] als voor kinderen met TOS [8].

Voor de ontwikkeling van de thuistaal hebben we alleen gegevens over de typisch ontwikkelende kinderen. Uit dit onderzoek blijkt dat er een negatief verband is tussen het mixen door ouders en de expressieve woordenschat in de thuistaal [7]. Dit betekent dat ouders die meer mixten, kinderen hadden met een lagere expressieve woordenschat in de thuistaal. Het is belangrijk om te benadrukken dat deze (negatieve) relatie niet werd gevonden voor receptieve woordenschat of voor het Nederlands, wat suggereert dat het effect van mixen door ouders specifiek samenhangt met de actieve taalproductie in de thuistaal. Verhoeven en collega’s [7] noemen hiervoor twee hoofdredenen: (1) Kinderen worden buitenshuis voornamelijk blootgesteld aan het Nederlands, waardoor de thuistaal in veel gezinnen hoofdzakelijk thuis wordt aangeboden. Het taalaanbod in de thuistaal is daardoor – gemiddeld genomen – beperkter dan het aanbod in het Nederlands.

Gemixt taalaanbod in de thuistaal zou kunnen leiden tot zwakkere verbindingen tussen fonologische en semantische representaties

Als ouders in de thuistaal ook nog mixen (naar het Nederlands), wordt dat toch al beperkte aanbod in de thuistaal verder verkleind, wat weer invloed kan hebben op de taalontwikkeling in de thuistaal; (2) Gemixt taalaanbod in de thuistaal zou kunnen leiden tot zwakkere verbindingen tussen fonologische en semantische representaties. Hierdoor kan het ophalen van woorden voor actieve productie moeilijker worden, terwijl begrip relatief behouden blijft, wat verklaart waarom het effect specifiek bij expressieve woordenschat zichtbaar is (Weaker Links Hypothesis, [11]). Hoewel we bij kinderen met TOS de thuistaal niet hebben onderzocht, zou hetzelfde mechanisme daar ook kunnen gelden. Dit verdient daarom aandacht in toekomstig onderzoek.

Aanbevelingen

Aanbevelingen

Op grond van de resultaten van ons onderzoek kunnen we een aantal aanbevelingen formuleren voor ouder-kind interactie in meertalige gezinnen. Voor de ontwikkeling van het Nederlands is het niet nodig dat ouders het mixen van talen vermijden wanneer ze met hun kind praten. Voor de thuistaal ligt dat anders, met name voor de expressieve woordenschat (en wellicht expressieve vaardigheden in bredere zin). Het is daarom belangrijk om met ouders te bespreken wat hun wensen zijn voor de taalontwikkeling van hun kind, in beide talen. Als ouders de expressieve vaardigheden in de thuistaal belangrijk vinden – bijvoorbeeld zodat het kind met familieleden kan communiceren – is het belangrijk om de thuistaal te stimuleren. Een kind kan gestimuleerd worden om de thuistaal actief te gebruiken, en niet alleen passief. Dat betekent dat het kind niet alleen luistert naar de thuistaal, maar ook gestimuleerd wordt om te spreken, benoemen en vertellen in de thuistaal. Daarbij kunnen bewuste afspraken thuis helpend zijn. Ouders kunnen afspraken maken om gebruik van het Nederlands, en dus ook het mixen naar het Nederlands, thuis te beperken. Verder kunnen ouders allerlei momenten benutten om hun kind de thuistaal te leren. Als hun kind bijvoorbeeld naar het Nederlands switcht omdat het niet op het woord in de thuistaal kan komen, is het goed om te checken of ze het thuistaalwoord echt niet kennen. Vaak blijkt dat met wat extra tijd, het wel lukt om op het woord te komen en het actief te gebruiken [12]. En lukt dit toch niet, dan kunnen ouders het woord aanbieden en op die manier de meertalige woordenschat van hun kind versterken [13].

Meer tips over het stimuleren van de (thuis)taal zijn te lezen in een Early Years Blog en in dit eerdere artikel op de website van de Universiteit Utrecht. Heb je vragen over het onderzoek? Of wil je op de hoogte blijven van het vervolg? Kijk dan op de website van CALM of mail naar Merel van Witteloostuijn.

Referenties

[1] Muysken, P. (2000). Bilingual speech: A typology of code-mixing. Cambridge University Press.

[2] Bail, A., Morini, G., & Newman, R. S. (2015). Look at the gato! Code-switching in speech to toddlers. Journal of Child Language, 42(5), 1073–1101. https://doi.org/10.1017/S0305000914000695

[3] Kremin, L. V., Alves, J., Orena, A. J., Polka, L., & Byers-Heinlein, K. (2022). Code-switching in parents' everyday speech to bilingual infants. Journal of Child Language, 49(4), 714–740. https://doi.org/10.1017/S0305000921000118

[4] Anderson, N. J., Graham, S. A., Prime, H., Jenkins, J. M., & Madigan, S. (2021). Linking quality and quantity of parental linguistic input to child language skills: A meta-analysis. Child Development, 92(2), 484–501. https://doi.org/10.1111/cdev.13508

[5] Van Witteloostuijn, M., Haggiyannes, A., De Bree, E., & Blom, E. (2025). Parental input and its relationship with language outcomes in children with (suspected) developmental language disorder: A systematic review. Journal of Speech, Language, and Hearing Research, 68(4). https://doi.org/10.1044/2024_JSLHR-24-00529

[6] Byers-Heinlein, K., Morin-Lessard, E., & Lew-Williams, C. (2017). Bilingual infants control their languages as they listen. Proceedings of the National Academy of Sciences, 114(34), 9032–9037. https://doi.org/10.1073/pnas.1703220114

[7] Verhoeven, E., Van Witteloostuijn, M., Oudgenoeg-Paz, O., & Blom, E. (2025). To mix or not to mix? The relation between parental language mixing and bilingual children's language outcomes. Bilingualism: Language and Cognition, 29(2). https://doi.org/10.1017/S1366728925100175

[8] Van Witteloostuijn, M., & Blom, E. (2025). Parental language mixing and its association with language outcomes of children with (a suspicion of) developmental language disorder. Journal of Communication Disorders, 117, Article 106557. https://doi.org/10.1016/j.jcomdis.2025.106557

[9] De Cat, C., et al. (2023). How to quantify bilingual experience? Findings from a Delphi consensus survey. Bilingualism: Language and Cognition, 26(1), 112–124. https://doi.org/10.1017/S1366728922000359

[10] Gross, M. C., & Kaushanskaya, M. (2022). Language control and code-switching in bilingual children with developmental language disorder. Journal of Speech, Language, and Hearing Research, 65(3), 1104–1127. https://doi.org/10.1044/2021_JSLHR-21-00332

[11] Gollan, T. H., Montoya, R. I., Cera, C., & Sandoval, T. C. (2008). More use almost always means a smaller frequency effect: Aging, bilingualism, and the weaker links hypothesis. Journal of Memory and Language, 58(3), 787–814. https://doi.org/10.1016/j.jml.2007.07.001

[12] Chisari, L. B., Bakker, A., Smit, J., & Blom, E. (2025). Migrant families' translanguaging in multilingual science museum activities: A multiple case study with Turkish-speaking families in the Netherlands. Journal of Multilingual and Multicultural Development. 1–19. https://doi.org/10.1080/01434632.2025.2596152

[13] Bosma, E., Bakker, A., Zenger, L., & Blom, E. (2023). Supporting the development of the bilingual lexicon through translanguaging: A realist review integrating psycholinguistics with educational sciences. European Journal of Psychology of Education, 38(1), 225–247. https://doi.org/10.1007/s10212-021-00586-6