Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
Taal en cognitie bij kinderen met ernstige spraak- en/of taalmoeilijkheden

Taal en cognitie bij kinderen met ernstige spraak- en/of taalmoeilijkheden

9 februari 2001 - Leestijd 7 - 15 minuten

In dit artikel worden de eerste resultaten besproken van het VeBOSS/KUN onderzoek dat momenteel (2001) uitgevoerd wordt binnen het 'plan van aanpak' van de VeBOSS. Dit plan is opgesteld om te komen tot goede indicatiestelling voor toelating tot het ESM-onderwijs in Nederland. De resultaten geven de eerste bevestiging van het uitgangspunt dat taalproblemen van kinderen die geplaatst zijn op scholen voor speciaal onderwijs aan kinderen met ernstige spraak- en/of taalmoeilijkheden mogen worden beschouwd als multidimensioneel. Ook wordt aangetoond dat de achterstanden op de gemeten taalgebieden inderdaad zeer aanzienlijk zijn.

Inleiding

Inleiding

Binnen het kader van de beleidsontwikkeling rondom leerlinggebonden financiering is onder meer de vraag van de indicatiestelling van ernstige spraak- en/of taalmoeilijkheden (ESM) actueel. Daarbij wordt uitgegaan van een model van 'slagboomdiagnostiek' ten behoeve van de verwijzing van kinderen naar vormen van het speciaal onderwijs.De slagboom treedt in werking op het moment dat sprake is van een stoornis enerzijds en een onderwijsbeperking anderzijds. Van de kant van de overheid was het standpunt aanvankelijk dat taalvaardigheid als een eendimensionaal construct kan worden opgevat, en dat van ESM gesproken zou kunnen worden bij een afwijking van twee standaarddeviaties van het gemiddelde op een denkbeeldige integratieve taaltest. Zowel vanuit onderzoek als vanuit de klinische praktijk kwam een reactie naar voren dat taalontwikkelingsproblemen veelzijdig kunnen zijn. Onder verwijzing naar onder meer het werk van Dorothy Bishop (1992, 1994, 1999) werd als basishypothese aangehouden dat er op zijn minst zes taalgebieden zijn te onderscheiden waarop kinderen kunnen uitvallen: spraakproductie, spraakperceptie, morfo-syntactische kennis, lexicale en semantische kennis, verbaal leervermogen en pragmatiek.

Bishop: zes taalgebieden - spraakproductie, spraakperceptie, morfo-syntactische kennis, lexicale en semantische kennis, verbaal leervermogen en pragmatiek

Deze zes gebieden kunnen ook in verschillende combinaties met elkaar voorkomen. Op basis van lopend empirisch onderzoek en klinische analyses valt te bezien in hoeverre deze taalgebieden tot een beperkter aantal clusters zijn te reduceren (vgl. Conti-Ramsden, Crutchley, & Botting, 1997). Deze clusters kunnen dan vervolgens als diagnostische profielen van ESM worden opgevat. Om op adequate wijze een stoornis te kunnen signaleren is het vooralsnog van groot belang dat er valide referentiegegevens beschikbaar zijn. In een samenwerkingsonderzoek tussen de VeBOSS en de sectie Orthopedagogiek van de Katholieke Universiteit Nijmegen wordt momenteel hiertoe een aanzet gegeven. In dit onderzoek staat de vraag centraal welke verschijningsvormen van ernstige spraak-/taalmoeilijkheden kunnen worden onderscheiden bij kinderen in de leeftijd van vier tot tien jaar. Daarnaast wordt geprobeerd antwoord te vinden op de vraag vanuit welke kind-, gezins-, en schoolfactoren de variatie in (taal)leerprocessen kan worden verklaard. {1} Het onderzoek is longitudinaal van opzet: op drie meetmomenten worden telkens met tussenpozen van een jaar onderzoeksgegevens verzameld bij kinderen van 4, 6 en 8 jaar, zodat een totaal bereik vantaalontwikkelingsgegevens over de leeftijd van 4-10 jaar wordt verkregen. Op dit moment wordt het tweede meetmoment uitgevoerd en worden de gegevens van het eerste meetmoment geanalyseerd. In dit artikel doen we verslag van de eerste uitkomsten van deze analyse.

Naschrift 

Het hier beschreven VeBOSS/KUN onderzoek kan gezien worden als een belangrijke stap richting de totstandkoming van een valide model van diagnostische besluitvorming met het oog op de indicatiestelling ESM. Problematisch blijft de afgrenzing van taalleerproblemen bij allochtone kinderen. Voor deze kinderen ligt het voor de hand uit te gaan van een diagnose van taalvaardigheden in zowel de moedertaal als het Nederlands. Daarbij geldt als belangrijke nevenvraag welke rol cognitie speelt bij het leren van een tweede taal in vergelijking met het leren in de moedertaal. Om ook op deze moeilijke vragen beter greep te krijgen in de praktijk is het verheugend te noemen dat de onderhavige studie kan worden uitgebreid met een onderzoek waarin de taalleersituatie van allochtone kinderen met ESM centraal staat. Wij hopen ook in dit onderzoek te mogen rekenen op een zelfde eendrachtige samenwerking met de scholen. Alleen door samen de schouders te zetten onder onderzoek naar de complexe problematiek van diagnostisering van ernstige spraak-/taalproblemen zullen we er in slagen kinderen die wat betreft hun communicatieve ontwikkeling zijn bedreigd op maat te bedienen.