Systematiek en spel in de taaltherapie met LARSP als grammaticale basis

Systematiek en spel in de taaltherapie met LARSP als grammaticale basis

Lezing jaarvergadering VeBOSS 18 maart 1983

1 oktober 1983 - Leestijd 10 - 15 minuten

De behandeling van kinderen met taalstoornissen en taalproblemen kan alle aspekten van de taal omvatten: de auditieve diskriminatie, de artikulatie, de woordenschat, de  grammatika (zinsstruktuur, verbuigingen en vervoegingen), en het gebruik van de taal in de sociale context. WIJ zullen ons nu alleen met de grammatikale kant van de taaltherapie bezig houden. Bij de meeste kinderen zal dat neerkomen op het expressieve taalgebruik, maar (zwaar) slechthorende kinderen zullen vaak tegelijk de receptieve en expressieve taal leren, omdat bij hen de receptieve taal meer is achtergebleven dan bij primair taalgestoorde kinderen.

Waarom leren taalgestoorde kinderen hun moedertaal niet?

Header image

De meeste kinderen hebben een aangeboren taalaanleg die hen in staat stelt vóór het 5e jaar een behoorlijke beheersing van hun moedertaal op te bouwen mits eraan een aantal basisvoorwaarden voor het leren van de moedertaal is voldaan (Schaerlaekens, 1977). Bij sommige kinderen is die aanleg om taal te leren niet in voldoende mate aanwezig. Deze kinderen gaan veel later spreken, ook bij een goed taalaanbod van de omgeving. Ze hebben een taalontwikkelingsstoornis; we noemen ze ook wel dysfatisch of spraak‑taalvertraagd.

Slechthorende kinderen hebben niet voldoende taal opgevangen om de taal te leren. Bij eenzelfde graad van slechthorendheid zien we grote verschillen in hun niveaus van taalontwikkeling. Dat hangt dan namelijk samen met de taalaanleg, de intelligentie en met de omgevingsfactoren (ouders en andere opvoeders). Bij beide groepen, de primair taalgestoorden en de slechthorenden, zien we o.a. te weinig vorderingen in het ontwikkelen van de zinsstructuur en de morfologie (vervoegingen en verbuigingen). Normaal‑sprekende kinderen ontwikkelen hun eigen kindergrammatica’s. Eerst die van de eenwoordzin, dan die van de tweewoordzin en zo verder, telkens wat minder primitief. Onze kinderen met taalstoornissen doen dit niet. Ze weten niet hoe ze zelf de taal die wij aanbieden moeten omzetten in hun kindertaaltje of ze horen niet genoeg taal om dit te kunnen doen. Om hun eigen kinderlijke grammatica’s te kunnen ontwikkelen moeten wij hen helpen. Daarbij nemen wij als uitgangspunt dat taalgestoorde kinderen hun taal grammaticaal gezien in dezelfde volgorde leren als normaal‑sprekende kinderen. Normaal‑sprekende kinderen beginnen bijvoorbeeld met de onbepaalde wijs als meest gebruikte werkwoordsvorm, daarna komt de stam, bijv. als gebiedende wijs in ‘kijk’, en later zien we pas de werkwoorden van de tegenwoordige tijd die eindigen op t. Diezelfde volgorde houden wij aan in de taaltherapie en we leren de kinderen dus eerst het hele werkwoord en daarna de stam. We kunnen deze ontwikkeling vergelijken met die van een motorisch vertraagd kind dat, ook al is het 3 jaar, eerst leert zitten, kruipen en staan vóór het leert lopen. Dit volgen van de normale volgorde van verwerving van de grammaticale structuren in de taaltherapie is in het Angelsaksisch taalgebied algemeen aanvaard.

De vraag is natuurlijk: wat is de volgorde waarin normaalsprekende Nederlandse kinderen de grammaticale constructies leren. Om hierop een antwoord te geven werd door L. Verhulst‑Schlichting een Nederlandse bewerking gemaakt van een Engelse taalontwikkelingsschaal, nl. LARSP (Language Assessment Remediation and Screening Procedure) van Crystal, Fletcher en Garman (Crystal 1976, 1979). Op basis hiervan is in Utrecht in 1982 een project van start gegaan, ‘Een Grammaticale Analyse van de Kindertaal’, om deze Nederlandse bewerking nader te onderzoeken. Op de Bertha Mullerschool te Utrecht wordt sinds enkele jaren taaltherapie op basis van LARSP gegeven. LARSP wordt gebruikt als diagnostisch instrument en tegelijkertijd als behandelingsplan: dit is mogelijk omdat het een ontwikkelingsschaal is. Dat gaat als volgt in zijn werk. De logopediste maakt een bandopname van een stukje spontane taal van het taalgestoorde kind. Ze schrijft deze uit en maakt een grammaticale analyse van de uitingen van het kind. Er wordt eerst gekeken welke zinstypes het kind gebruikt (bijv. vraagzinnen of bevestigende zinnen). Daarna worden de zinnen bekeken op hoeveel zinsdelen ze hebben (onderwerp, werkwoord enz.); het aantal en het type woordgroepen wordt bekeken (bijv. bijvoeglijk naamwoord + zelfstandig naamwoord) en de verbuigingen en vervoegingen worden aangetekend. Wat de loop van het gesprek betreft wordt het aantal spontane zinnen vergeleken met het aantal reacties op de therapeut. Het aantal herhalingen wordt aangetekend en de sociale uitdrukkingen als ‘Dag’, ‘ja’, ‘hoepla’ etc. worden genoteerd (zie fig. 1 in de PDF)

 Lees verder in de PDF