Eindelijk een leesmethode voor dove kinderen

Eindelijk een leesmethode voor dove kinderen

De achtergrond van de methode Leespad

1 december 1998 - Leestijd 10 - 20 minuten

Eind 80er jaren (van de vorige eeuw, red.) startte Maike Schaper op het Christelijk Instituut voor Doven Effatha met de ontwikkeling van de methode Leespad. Leespad is een methode voor het aanvankelijk begrijpend en technisch lezen voor dove kinderen. In de methode wordt een poging gedaan het leesonderwijs aan dove kinderen in te richten naar de laatste wetenschappelijke bevindingen. De motivatie voor het opzetten van deze methode is de dramatisch lage leesvaardigheid van dove adolescenten, die internationaal een leesniveau bereiken van 8 1/2 jaar op de leeftijd van 17 jaar. 

Header image

foto M. van Vugt

Inleiding

De nadruk bij het leren lezen via Leespad ligt op de visuele ingang, in de eerste plaats op de visuele woordherkenning. In Leespad ontwikkelen de kinderen tegelijkertijd hun technische leesvaardigheden en hun begrijpend-leesvaardigheden en daarmee hun kennis van het geschreven Nederlands. Naast de visuele woordherkenning wordt gebruik gemaakt van ondersteunende codes: de gebarencode, de articulatorische code en de vingerspellingsrepresentatie. De didactische uitgangspunten van Leespad zijn verder: structurering en systematisering van het leesleerproces waarbij het aanbieden van een basisleeswoordenschat en het systematisch aanbieden en oefenen van morfosyntactische structuren centraal staan. Tevens wordt een begin gemaakt met het leren omgaan met teksten. De methode bevat elementen uit de dovencultuur om dove kinderen ook pedagogisch aan te spreken.

Inleiding

Inleiding

Dove schoolverlaters zijn grotendeels functioneel analfabeet. Dat is zo in Nederland (Broesterhuizen, 1994), maar hetzelfde wordt gerapporteerd vanuit bijvoorbeeld Groot‑Brittannië (Conrad, 1979) en de Verenigde Staten (Grushkin, 1998). Deze situatie is zeer ernstig, daar doven voor hun contact met de horende wereld in hoge mate afhankelijk zijn van hun geletterdheid, dus hun vaardigheid in lezen en schrijven. Het is daarom van belang dat wij ons telkens opnieuw bezinnen of met de veranderende situatie van de doven en de voortgang van wetenschappelijke kennis een hoger niveau van geletterdheid voor doven bereikbaar is. Wij denken daarbij in eerste instantie aan het onderwijs in lezen en schrijven aan dove leerlingen.
De talige situatie van de dove leerling is de laatste jaren sterk gewijzigd door de groeiende acceptatie van de Nederlandse Gebarentaal. Het dove kind heeft nu in veel gevallen de NGT als primaire taal. Het Nederlands is daarmee voor veel leerlingen de tweede taal geworden. Deze nieuwe situatie vraagt om nieuwe didactiek (Knoors en Van Dijk, 1996), namelijk de didactiek van het Nederlands als tweede taal.
Het onderzoek naar de kenmerken van gesproken en geschreven taal van doven is de laatste jaren het onderwerp geweest van talrijke wetenschappelijke studies. Veel van deze studies bevatten gegevens betreffende de samenhang tussen de verschillende vaardigheden van dove leerlingen, zoals de samenhang tussen gebarentaal en lezen en de samenhang tussen articulatorische vaardigheden en lezen. Ander onderzoek bevat meer gegevens die ons richting kunnen geven bij de didactiek van het Nederlands als tweede taal. Ook het onderzoek naar de verwerving van het Nederlands als tweede taal door etnische minderheden in Nederland kan ons helpen een passende didactiek te vinden voor dove kinderen. Tot slot kunnen wij ook leren van de taalverwerving van horende kinderen. Eén van de dingen die wij daarvan kunnen leren is dat horende kinderen enorm verschillen in hun mate van taalvaardigheid (Schlichting, 1996). Die kan voor een deel verklaard worden uit verschillen in taalaanleg, het aangeboren taalvermogen. Als derde nieuwe ontwikkeling is er de groeiende samenwerking tussen de doveninstituten in Nederland die ons stimuleert om de didactiek van het Nederlands als tweede taal gezamenlijk aan te pakken. Daarnaast is er de trend van het thuisnabij onderwijs. Dit alles dwingt ons het aanbod voor dove kinderen te professionaliseren en overdraagbaar te maken. Het speciale aan het onderwijs aan doven moet voor een goed deel liggen in een goede taaldidactiek (Bruins en Hoiting, 1997). Het leren lezen van het Nederlands maakt daar deel van uit. Bij elkaar rechtvaardigen deze ontwikkelingen een herbezinning op ons lees‑ en taalonderwijs van het Nederlands.

 

Lees de pef

Verder lezen in de pdf