Werkgeheugenprofielen van kinderen met een auditief/communicatieve beperking

Werkgeheugenprofielen van kinderen met een auditief/communicatieve beperking

4 februari 2026 - Leestijd 15 - 20 minuten

Werkgeheugenproblemen kunnen het leren van taal door dove en slechthorende kinderen en kinderen met taalontwikkelingsstoornissen bemoeilijken. Het hier beschreven onderzoek richtte zich op het vaststellen van de sterke en zwakke kanten in het werkgeheugen van deze doelgroepen, hetgeen mogelijke handvatten biedt voor gerichtere begeleiding. Op basis van de uitkomsten blijken er meerdere profielen te zijn, die niet specifiek gerelateerd zijn aan de diagnoses.  

Header image

Inleiding

Inleiding

Het leren van gesproken taal kan moeilijk zijn voor dove en slechthorende kinderen of kinderen met een taalontwikkelingsstoornis. Een probleem van het werkgeheugen kan daarvan een van de oorzaken zijn. Bij kinderen kan het bijvoorbeeld lastig zijn om meerdere items in het werkgeheugen vast te houden of om de informatie te verwerken. Er zijn dus meerdere werkgeheugen componenten betrokken bij het verwerken van talige informatie.

Recent is een grootschalig onderzoek naar het werkgeheugen op dit gebied afgerond. In deze publicatie beschrijven we de uitkomsten waarin we onderzoeken welke onderliggende componenten bij de totale groep kinderen met een auditieve/communicatieve beperking goed of minder goed functioneren en welke profielen hierin te onderscheiden zijn. Op basis van de cognitieve WG onderzoeksresultaten kan een interventie gericht worden op het versterken van zwakkere gedragsvaardigheden of het compenseren ervan door relatief goede gedragsvaardigheden verder te versterken.  

Achtergrond 
Voor het tijdelijk vasthouden van informatie voor het kunnen verwerken en begrijpen van taal is het (verbaal) werkgeheugen (WG) belangrijk. Het verbale werkgeheugen bestaat uit onderstaande componenten (zie ook tabel 1): 

  • Encoderen: omzetten van auditieve input in een (fonologisch) klankgeheugenspoor  
  • Recoderen: omzetten van visuele input in een (fonologisch) klankgeheugenspoor 
  • Fonologische opslag: vasthouden van een klankgeheugenspoor in de fonologische lus 
  • Fonologische verwerking: koppelen van een klankgeheugenspoor aan de betekenis 
  • Woordherkenning: ophalen van de passende woordbetekenis uit geheugen/mentale lexicon

Bij dove/slechthorende kinderen (DSH) of kinderen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS) is vaak sprake van WG problemen. Dit bemoeilijkt mogelijk de taalontwikkeling voor beide groepen kinderen.

De auditieve input van DSH kinderen is minder gedifferentieerd - enerzijds doordat het akoestische (hoortoestel) of elektrische (cochleair implantaat) signaal van relatief beperkte kwaliteit is, anderzijds doordat het auditieve systeem niet optimaal functioneert.

Meerdere onderzoeken tonen aan dat DSH kinderen met de fonologische opslag meer problemen ervaren dan met de verwerking

Dit leidt tot minder stabiele fonologische representaties [1]. Meerdere onderzoeken tonen aan dat zij daarom met de fonologische opslag meer problemen ervaren dan met de verwerking [2, 3, 4, 5].  

Werkgeheugenproblemen bij DSH kinderen leiden vooral tot problemen in de verwerving van vervoegingen, verbuigingen en zinsbouw (morfosyntaxis) [6]. Voor kinderen met TOS beschrijft de literatuur in alle onderzoeken ernstige en hardnekkige problemen met het werkgeheugen [7]. Dit betreft meerdere mechanismen van het werkgeheugenproblemen. Naast zwak encoderen vermeldt de literatuurproblemen met de fonologische opslag en verwerking (storage en/of processing) [8, 9]. Diverse onderzoeken melden relaties tussen de werkgeheugen mechanismen en taalverwerving [10]. 

Samenvattend blijkt uit deze onderzoeken bij groepen met zowel DSH kinderen als kinderen met TOS dat er gemiddeld genomen sprake is van problemen op dit gebied. Er zijn voor beide groepen relaties tussen deze problemen en het leren van taal. Binnen beide groepen vertonen de aard en mate van werkgeheugenproblemen een grote variabiliteit. 

Doel 
Bij een deel van de DSH kinderen met een achterblijvende morfosyntaxis zou er sprake kunnen zijn van onderliggende werkgeheugen problematiek die ook bij kinderen met TOS wordt gezien.

Het onderzoek heeft tot doel het niveau van alle van de hierboven beschreven WG componenten van DSH kinderen en kinderen met TOS apart in kaart te brengen

Daarnaast kan informatie over beide groepen samen (dus niet diagnose specifiek) meer inzicht geven over de diversiteit van de mogelijke problematiek [11]. Het onderzoek heeft daarom tot doel het niveau van alle van de hierboven beschreven WG componenten van DSH kinderen en kinderen met TOS apart in kaart te brengen. Bovendien definiëren we profielen met sterke en relatief zwakke onderliggende factoren voor de totale groep, ten behoeve van het stimuleren van het werkgeheugen. 

Ethische verantwoording

Ethische verantwoording

Informatie (voor ouders en kinderen) en consentformulieren voor ouders zijn door participerende scholen, ambulante diensten en audiologische centra aan ouders overhandigd. De werving, informatie en consentprocedure zijn verlopen volgens geldende ZonMw/Deelkracht richtlijnen. Niet in alle gevallen is toestemming verkregen over vermelding van de gebruikte hoorapparatuur van het kind. 

Methode

Methode

Participanten  
Er deden 78 kinderen van 8 tot en met 10 jaar mee aan het onderzoek. Het betreft 42 DSH kinderen en 36 kinderen met TOS. De gemiddelde leeftijd van beide groepen is vergelijkbaar (109 maanden). De verdeling participanten in regulier en speciaal onderwijs is voor de totale groep 47% resp. 53%, voor de DSH groep resp. 52% en 48%, voor de TOS groep resp. 42% en 58%.

Er participeerden kinderen die in diverse modaliteiten communiceerden

Er participeerden kinderen die in diverse modaliteiten communiceerden. Een inclusiecriterium was dat de test afgenomen moest kunnen worden in gesproken taal, omdat er ook auditief verbale tests gedaan werden. De leerkracht/logopedist beoordeelde of een kind de test verbaal aankon. De instructies werden naar keuze van het kind ook aangeboden in NmG of NGT. 

De participanten in de DSH groep zijn kinderen met matige tot (zeer) ernstige gehoorverliezen die resp. hoortoestellen (56%) of CI (44%) gebruiken. De opgevraagde gegevens van het spraakverstaan van de DSH groep laten gemiddelde scores zien die adequaat genoemd mogen worden; met gebruik van hoorapparatuur behalen zij bij spraakaudiometrie op conversatieniveau in het vrije veld een foneemscore van 91%, en met aanbod op zacht luidheidsniveau 67%.  

Testinstrumentarium 
Er is een test-set samengesteld met als doel alle verbale WG componenten te onderzoeken. Hiervoor zijn subtests uit bestaande gestandaardiseerde genormeerde logopedische/linguïstische en psychologische testen geselecteerd. Aanvullend zijn het visuele WG en de inhibitie- en switchtaak in de test-set opgenomen. De gegevens van de receptieve woordenschat gemeten met de Peabody Picture Vocabulary Test (PPVT) zijn opgevraagd bij ouders/begeleidende instanties. 

In tabel 1 zijn voor de test-set achtereenvolgens de geteste component, de gemeten vaardigheid en de gebruikte (sub) weergegeven.  

Tabel 1. WG-component, vaardigheid en gebruikte subtest

Sluit

Vervolg methode

Bij de pseudowoordrepetitie subtest uit het Testinstrumentarium Taalontwikkelingsstoornissen (T-TOS) moeten kinderen niet-bestaande woorden nazeggen. Bij het snel benoemen uit de Clinical Evaluation of Language Fundamentals (CELF) moeten kinderen afbeeldingen van gekleurde vormen snel benoemen (bijvoorbeeld gele driehoek). Bij het herhalen van cijfers uit de Wechsler Intelligence Scales for Children (WISC) moeten ze cijferreeksen van oplopende lengte nazeggen, eerst in de voorwaartse (dezelfde) volgorde en vervolgens in achterwaartse (omgekeerde) volgorde.

Analoog aan deze taak moeten de kinderen bij de visuele oriëntatietaak uit de Wechsler Non Verbal (WNV) blokpatronen van toenemende lengte, die worden door de testleider aangewezen worden, nawijzen, eerst in de voorwaartse (dezelfde) volgorde en daarna in de achterwaartse (omgekeerde) volgorde (zie figuur 1 in de inleiding). Bij de Color Word Interference taak uit de Delis-Kaplan Executive FunctionSystem (D-KEFS) moeten de kinderen twee taken uitvoeren. Bij de inhibitietaak de inktkleuren benoemen van woorden; bijvoorbeeld 'groen' in de kleur rood en 'rood' in de kleur blauw
 worden benoemd als ‘rood’ en ‘blauw’. Hierbij moet het kind de directe geautomatiseerde lees-impuls onderdrukken (inhiberen).

Bij de receptieve woordenschat test moet het kind het plaatje aanwijzen waarop het woord dat gezegd wordt door de testleider is afgebeeld, met keuze uit vier alternatieven
Bij de tweede taak, de switchtaak, moet het kind deinktkleur benoemen van woorden, maar moet het de woorden die omkaderd zijn wel gewoon lezen (schakelen). Bij de receptieve woordenschat test moet het kind het plaatje aanwijzen waarop het woord dat gezegd wordt door de testleider is afgebeeld, met keuze uit vier alternatieven. Als maat voor complex zinsbegrip is het onderdeel ‘begrippen en aanwijzingen volgen’ van de CELF afgenomen. Hierbij moet het kind op basis van de instructie van de testleider in een bepaalde volgorde plaatjes aanwijzen uit een reeks. Bijvoorbeeld: 'Wijs aan de grote auto en de witte vis’.
 

Figuur 1. Afname van een testonderdeel bij een kind

Figuur 1. Afname van een testonderdeel bij een kind

Vervolg onder figuur 1

Verwerking en analyse 
De behaalde individuele scores werden omgezet naar Z-scores zodat de resultaten op de verschillende testonderdelen vergelijkbaar zijn. 

De scores van de DSH en TOS groep zijn vergeleken met die van de horende norm (One-sample Kolmogorov Smirnov test) en de scores van de beide onderzoeksgroepen zijn onderling vergeleken (Mann-Whitney test).  
Er is een vergelijking gemaakt van de scores van de DSH- en TOSgroep met die van de horende norm
Vervolgens voerden we op de uitkomsten van de totale groep een factoranalyse analyse uit om onderliggende factoren te vinden. De relatie tussen deze factoren en het Zinsbegrip is bepaald (lineaire regressie). Om te bepalen of er bepaalde clusters met dezelfde eigenschappen zijn, dat wil zeggen patronen van sterkere en zwakkere werkgeheugen factoren, hebben we met de gevonden factoren een clusteranalyse (K-means) uitgevoerd.  

Resultaten

Resultaten

De Z-scores van de DSH en TOS groep tov de norm en elkaar 
Bij de vergelijking van de afzonderlijke subtest scores van de DSH en de TOS groep met de normscores blijkt dat beide groepen op de onderdelen Encoderen, Recoderen en Fonologische opslag significant negatief afwijken van de norm. Met name het Encoderen laat aanzienlijke afwijkingen zien. De TOS groep wijkt ook nog op het gecombineerde onderdeel Inhibitie-switchen negatief af. Wanneer we beide groepen onderling vergelijken, scoort de DSH groep significant gunstiger op Visuele opslag, Inhibitie-switchen en Woordherkenning. 

In figuur 2 staan voor beide groepen afzonderlijk de subtests Z-scores als boxplots. In de box valt 50% van de scores. De mediaan is aangegeven door een streepje, het gemiddelde door een X. Het bovenste balkje van de ‘snorhaar’ is het 95e percentiel, het onderste balkje het 5e. De gemiddelde range (Z=-1 tot Z=1) van de horende normgroep is aangegeven als grijze balk. 

Figuur 2. Boxplots van de werkgeheugencomponenten van TOS- en DSH-kinderen

Sluit

Tekst onder figuur 2 - De onderliggende factoren

De onderliggende onafhankelijke factoren 
De resultaten van de factoranalyse over de totale groep staan in tabel 2. De WG componenten laden op 3 verschillende onderliggende onafhankelijke factoren. De vermelde waarden die bij de subtest (WG component) staan, geven aan welk deel zij van de variantie van de onafhankelijke factor verklaren. Wanneer deze waarde hoger dan 0.45 ‘laadt’, wordt dit gezien als substantieel. Deze waarden zijn daarom vetgedrukt.

Op de eerste factor laden de componenten Recoderen, Inhibitie en Switchen. Op basis daarvan interpreteren wij deze factor als een weerslag van ‘automatiserings- en aandachtsvaardigheden’. De componenten Encoderen, Fonologische opslag en Woordherkenning laden op de tweede factor, de ‘fonologische representatie’ factor. Op de derde factor laden de componenten Fonologische verwerking, de Visuele opslag en de Visuele verwerking, de ‘visuele- en verwerkingsfactor’. 

Tabel 2. Factoranalyse

Sluit

Tekst onder tabel 2

De relatie tussen de factoren en het complexe taalbegrip 
Het complexe taalbegrip van de DSH groep ligt net binnen de gemiddelde range (gemiddelde Z-score=-.94, sd=1,3) en deze is gunstiger (P<.05) dan die van de TOS groep die ruim onder de gemiddelde range ligt (gemiddelde Z-score =-1.44, sd=-.85).

De relaties tussen de gevonden drie factoren en het complexe zinsbegripstaan in tabel 3. Zowel in de DSH als de TOS groep is een hogere waarde van de ‘fonologische representatie’ factor geassocieerd met een hoger niveau van complex zinsbegrip.

Echter, alleen voor de DSH groep hangt een hogere waarde van de‘visuele/verwerking’ factorscore samen met een hoger niveau van complex zinsbegrip. Voor de factor ‘automatiseren en richten van aandacht’ zijn geen significante relaties met complex zinsbegrip. 

Tabel 3. Relaties tussen de factoren en het zinsbegrip

Sluit

Tekst onder tabel 3 - De werkgeheugenprofielen

De werkgeheugen profielen 
De clusteranalyse, op basis van de factoren uit de factoranalyse, over de totale groep resulteerde in drie onderscheiden werkgeheugen patronen, zogenaamde ‘profielen’.  

Om de relatief sterke en zwakke kanten te interpreteren kijken we naar de relatieve verhoudingen binnen een profiel.  

  • De scores van kinderen binnen eerste profiel laten een relatief sterke fonologische representatie zien. Hierin is 19% van de totale groep kinderen vertegenwoordigd. Het betreft 17% van de DSH groep en 22% van de TOS groep. 
  • De scores van kinderen binnen het tweede profiel scoren over de gehele linie vrij zwak. Hierin is 54% van de totale groep kinderen vertegenwoordigd. Het betreft45% van de DSH groep en 64% van de TOS groep. 
  • De scores van kinderen binnen het derde profiel laten relatief sterke visuele vaardigheden /en fonologische verwerking zien. Hierin is 27% van de totale groep kinderen vertegenwoordigd. Het betreft 38% van de DSH groep en 14% van de TOS groep. 

De drie werkgeheugen profielen zijn als boxplots weergegeven in figuur 3. Opmerkelijk genoeg zitten zowel DSH als TOS kinderen in elk van de drie profielen, zoals weergegeven met de percentages onder de profielen in de figuur. In profiel 1 en 2 zitten van beide groepen vrijwel evenveel kinderen. In profiel 3 is de groep DSH meer vertegenwoordigd. In alle drie de profielen zitten zowel kinderen uit speciaal en regulier onderwijs. In het eerste en derde profiel volgt tweederde van de kinderen regulier onderwijs. In het tweede profiel volgt tweederde van de kinderen speciaal onderwijs.  

Figuur 3. Werkgeheugenprofielen

Sluit

Conclusie en aanbevelingen

Conclusie en aanbevelingen

Op meerdere van de werkgeheugen tests laten de uitkomsten van de DSH kinderen en de kinderen met TOS achterstanden zien. De uitval is vooral zichtbaar op tests met betrekking tot de componenten Encoderen, Recoderen en Fonologische opslag. De behaalde niveaus op werkgeheugen tests: Fonologische verwerking en Visuele opslag en Visuele verwerking zijn vergelijkbaar met die van de normgroep. Op de Inhibitie-switchen test scoorde de TOS groep ongunstiger dan de normgroep. De DSH groep scoorde gunstiger dan de TOS groep op de Visuele opslag, de Inhibitie-switchen en de Woordherkenning. Er zijn duidelijke relaties tussen de onderliggende werkgeheugen factor ‘fonologische representatie’ en complex taalbegrip voor beide groepen. Voor de DSH groep is er ook een relatie tussen de visuele/verwerkingsfactor en het complex taalbegrip. Bovenstaande bevindingen sluiten aan bij de in de inleiding aangehaalde literatuur, die aangeeft dat DSH kinderenen kinderen met TOS problemen ondervinden met het verbale werkgeheugen.Een nieuw inzicht uit ons onderzoek komt naar voren uit de clusteranalyse. Voor de totale groep zijn er drie werkgeheugen profielen te onderscheiden. Opvallend is dat er geen specifiek DSH of TOS profiel bestaat. In elk profiel zitten zowel DSH als TOS kinderen echter, de DSH kinderen zitten vooral in profiel 2 en 3, terwijl de TOS kinderen vooral in profiel 2 zitten. Ook zitten in elk profiel kinderen uit zowel speciaal als regulier onderwijs. Het grootste aantal kinderen, waarvan tweederde speciaal onderwijs volgt, zit in profiel 2, dat de zwakste vaardigheden laat zien.  

Daarnaast betreft een interessante uitkomst profiel 3, waarin relatief veel DSH kinderen zitten, namelijk de relatief sterke visuele verwerking en visuele opslag. DSH kinderen in dit profiel laten vaker relatief sterke visuele werkgeheugen vaardigheden zien [12].

Op basis van de onderzoeksresultaten adviseren we om een brede range van werkgeheugen componenten te onderzoeken bij kinderen met problemen in de taalontwikkeling. Inzicht in zwakke en sterke werkgeheugen vaardigheden biedt handvatten voor begeleiding. Deze kan  zich richten op versterking van zwakke kanten maar daarnaast ook op versterking van sterke kanten (compensatie). Bij een kind met zwakke fonologische representaties maar een relatief goede woordenschat kun je specifiek fonologische vaardigheden trainen (versterken van de zwakke kant). Of je kunt of compensatiemogelijkheden vergroten door de woordenschat te verdiepen en verbreden (versterken van een sterke kant). 

Daarnaast kun je het werkgeheugen (opslag) in dagelijkse situatie functioneel stimuleren door bijvoorbeeld niet altijd korte zinnen aan te bieden, of lange zinnen in delen te splitsen. Je kunt streven naar in eerste instantie aanbieden van langere zinnen en daarna indien nodig te herhalen of in te korten.

Op basis van de onderzoeksresultaten adviseren we om een brede range van werkgeheugen componenten te onderzoeken bij kinderen met problemen in de taalontwikkeling

Je zou ter versterking of compensatie van werkgeheugen vaardigheden gebruik kunnen maken van (delen uit) bestaande werkgeheugen trainingsprogramma’s. Hiervan is in meer of mindere mate effectiviteit aangetoond voor verschillende groepen kinderen (horend, DSH, TOS). Deze staan hieronder. In de literatuur blijkt dat er trainingen zijn die geen effect hebben voor horende kinderen, wel effect hebben voor DSH kinderen. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat oefenen met meerdere gevarieerde sprekers een gunstiger voorwaarde voor transfer biedt. 

  • Spraakverstaan stimulering [13]
  • Fonologisch bewustzijn stimuleren (rijm, analyse, synthese oefeningen)​​ 
  • Muziektraining (voor fonologische opslag bij DSH [14] 
  • Music based EF training (voor DSH) [15] 
  • Working Memory based cognitive rehabilitation, specifiek voor DSH [16, 17] 
  • Auditieve processing training/dichotisch luisteren, Acoustic pioneer (voor kinderen met auditory processing disorder) [18] 
  • Cogmed, specifiek voor DSH [19] 
  • Cogmed specifiek voor TOS [20] 
  • Braingame Brian (bij TOS, voor EF en WG [9] 
  • Metataal (voor TOS) [21] 
  • Woordenschattraining (diverse programma’s o.a. ontwikkeld door Kentalis)​​ 
  • Auditief Verbale training [22] 

Suggesties voor verder onderzoek

Suggesties voor verder onderzoek 

Het is belangrijk je te realiseren dat de tests in een optimale luistersituatie zijn afgenomen. In de dagelijkse situatie (op school en thuis), waarin de luisteromstandigheden meestal aanzienlijk ongunstiger zijn door achtergrondrumoer, zal door de toegenomen luisterinspanning de werkgeheugen capaciteit zeer waarschijnlijk verminderen. Verder onderzoek naar het effect van ruis op het functioneren van het werkgeheugen kan waardevolle aanvullende inzichten bieden en dus bijdragen aan de beschikbaarheid van een ecologisch valide maat.  

Referenties

[10] Adams, A., & Gathercole, Susan. E. (2000). Limitations In Working Memory: Implications For Language Development. International Journal of Language & Communication Disorders, 35(1), 95–116. https://doi.org/10.1080/136828200247278

[7] Archibald, L. M. D., & Gathercole, S. E. (2006). Shortterm and working memory in specific language impairment. International Journal of Language & Communication Disorders, 41(6), 675–693. https://doi.org/10.1080/13682820500442602

[8] Archibald, L. M. D., & Gathercole, S. E. (2007). Nonword repetition in specific language impairment: More than a phonological short-term memory deficit. Psychonomic Bulletin & Review, 14(5), 919–924. https://doi.org/10.3758/BF03194122

[16] Ashori, M. (2022). Working Memory-Based Cognitive Rehabilitation: Spoken Language of Deaf and Hard-of-Hearing Children. The Journal of Deaf Studies and Deaf Education, 27(3), 234–244. https://doi.org/10.1093/deafed/enac007

[18] Barker, M. D., & Hicks, C. B. (2020). Treating Deficits in Auditory Processing Abilities. Language, Speech, and Hearing Services in Schools, 51(2), 416–427.https://doi.org/10.1044/2019_LSHSS-19-00001

[12] Bharadwaj, S. V., Maricle, D., Green, L., & Allman, T. (2015). Working memory, short-term memory and reading proficiency in school-age children with cochlear implants. International Journal of Pediatric Otorhinolaryngology, 79(10), 1647–1653. https://doi.org/10.1016/j.ijporl.2015.07.006

[2] Cleary, M., Pisoni, D. B., & Geers, A. E. (2001). Some Measures of Verbal and Spatial Working Memory in Eight- and Nine-Year-Old Hearing-Impaired Children with Cochlear Implants. Ear and Hearing, 22(5), 395–411. https://doi.org/10.1097/00003446-200110000-00004

[3] Davidson, L. S., Geers, A. E., Hale, S., Sommers, M. M., Brenner, C., & Spehar, B. (2019). Effects of Early Auditory Deprivation on Working Memory and Reasoning Abilities in Verbal and Visuospatial Domains for Pediatric Cochlear Implant Recipients. Ear & Hearing, 40(3), 517–528.https://doi.org/10.1097/AUD.0000000000000629

[11] de Hoog, B. E., Langereis, M. C., van Weerdenburg, M., Knoors, H. E. T., & Verhoeven, L. (2016). Linguistic profiles of children with CI as compared with children with hearing or specific language impairment. International Journal of Language & Communication Disorders, 51(5), 518–530. https://doi.org/10.1111/1460-6984.12228

[20] Delage, H., Stanford, E., Baratti, C., & Durrleman, S. (2023). Working memory training in children with developmental language disorder: Effects on complex syntax in narratives. Frontiers in Rehabilitation Sciences, 3. https://doi.org/10.3389/fresc.2022.1068959

[1] Guo, L.-Y., & Spencer, L. J. (2017). Development of Grammatical Accuracy in English-Speaking Children With Cochlear Implants: A Longitudinal Study. Journal of Speech, Language, and Hearing Research : JSLHR, 60(4), 1062–1075. https://doi.org/10.1044/2016_JSLHR-H-16-0182

[17] Hargreaves, A., Dillon, R., Anderson-Schmidt, H., Corvin, A., Fitzmaurice, B., Castorina, M., Robertson, I. H., & Donohoe, G. (2015). Computerised working-memoryfocused cognitive remediation therapy for psychosis — A preliminary study. Schizophrenia Research, 169(1–3), 135–140.https://doi.org/10.1016/j.schres.2015.09.004

[19] Kronenberger, W. G., Pisoni, D. B., Henning, S. C., Colson, B. G., & Hazzard, L. M. (2011). Working Memory Training for Children With Cochlear Implants: A Pilot Study. Journal of Speech, Language, and Hearing Research, 54(4), 1182–1196. https://doi.org/10.1044/1092-4388(2010/10-0119)

[4] Langereis, M., Rijke, W., & Vermeulen, A. (2020). Spraakverstaan, taalvaardigheid en verbaal werkgeheugen bij kinderen met CI. Stem-, Spraak- En Taalpathologie, 25. https://doi.org/10.21827/32.8310/2020-58

[15] Mason, K., Marshall, C. R., & Morgan, G. (2021). Executive Function Training for Deaf Children: Impact of a Music Intervention. The Journal of Deaf Studies and Deaf Education, 26(4), 490–500. https://doi.org/10.1093/deafed/enab026

[5] Nittrouer, S., Caldwell-Tarr, A., & Lowenstein, J. H. (2013). Working memory in children with cochlear implants: Problems are in storage, not processing. International Journal of Pediatric Otorhinolaryngology, 77(11), 1886–1898. https://doi.org/10.1016/j.ijporl.2013.09.001

[6] Pisoni, D. B., Kronenberger, W. G., Roman, A. S., & Geers, A. E. (2011). Measures of Digit Span and Verbal Rehearsal Speed in Deaf Children After More Than 10 Years of Cochlear Implantation. Ear & Hearing, 32(1), 60S-74S. https://doi.org/10.1097/AUD.0b013e3181ffd58e

[13] Spehar, B., Tye-Murray, N., Mauzé, E., Sommers, M., & Barcroft, J. (2024). Speech Perception Training in Children: The Retention of Benefits and Booster Training. Ear & Hearing, 45(1), 164–173. https://doi.org/10.1097/AUD.0000000000001413

[14] Torppa, R., Faulkner, A., Huotilainen, M., Järvikivi, J., Lipsanen, J., Laasonen, M., & Vainio, M. (2014). The perception of prosody and associated auditory cues in early-implanted children: The role of auditory working memory and musical activities. International Journal of Audiology, 53(3), 182–191. https://doi.org/10.3109/14992027.2013.872302

[22] Voss, J. (2018). Auditory Verbal Therapy: For young children with hearing loss and their families...by Estabrooks et al. The Journal of Deaf Studies and Deaf Education, 23(1), 110–110. https://doi.org/10.1093/deafed/enx044

[9] Vugs, B., Hendriks, M., Cuperus, J., & Verhoeven, L. (2014). Working memory performance and executive function behaviors in young children with SLI. Research in Developmental Disabilities, 35(1), 62–74. https://doi.org/10.1016/j.ridd.2013.10.022

[21] Zwitserlood, R., Wijnen, F., van Weerdenburg, M., & Verhoeven, L. (2015). ‘MetaTaal’: enhancing complex syntax in children with specific language impairment-ametalinguistic and multimodal approach. International Journal of Language & Communication Disorders, 50(3), 273–297. https://doi.org/10.1111/1460-6984.12131