Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
Welke toekomst heeft het onderwijs aan doven en slechthorenden?

Welke toekomst heeft het onderwijs aan doven en slechthorenden?

9 augustus 2008 - Leestijd 4 - 4 minuten

Op 12 juni 2008 organiseerde Siméa een miniconferentie over de toekomst van het onderwijs aan kinderen en jongeren met een auditieve beperking. Tegen de vijftig inhoudelijk deskundigen gingen met elkaar in discussie over de manier waarop we die toekomst inhoud moeten geven. In deze reportage komen de overwegingen aan de orde.

page.header_image.alt

Volgens dagvoorzitter Theo van Munnen (Siméa) en inleiders Harry Knoors (Viataal) en Erik van Lingen (Auris) is het essentieel om nú aandacht te besteden aan die toekomst. Zij gaven hiervoor enkele argumenten. Het aantal kinderen dat met een auditieve beperking geboren wordt of later een gehoorprobleem krijgt, daalt al een aantal jaren. Omdat een groep ouders voor hun kind kiest voor regulier onderwijs, gaan dove en slechthorende kinderen tegenwoordig verspreid over heel Nederland naar school. Het feit, dat steeds meer kinderen op steeds jongere leeftijd met een CI worden uitgerust, versterkt deze trend, omdat blijkt dat de keuzemogelijkheden voor het onderwijs hiermee worden vergroot. Een consequentie hiervan is, dat er niet veel professionals meer zijn die met veel dove en slechthorende kinderen te maken hebben en op basis daarvan een brede deskundigheid ontwikkelen. Voor echte expertise heb je massa nodig, gaf Harry Knoors aan. De grote spreiding over Nederland is daarom een reden om ons zorgen te maken. Van Lingen presenteerde op 12 juni een concept advies dat een aantal onderwijsdirecteuren heeft geformuleerd. Zij stellen voor dat Siméa dit advies gaat uitwerken en met alle cluster 2-schoolbesturen gaat uitvoeren. Kern van het advies vormen de volgende concrete aanbevelingen:

  • te komen tot clustering van onderwijs aan dove en slechthorende leerlingen en waar dat niet kan het onderwijs aan slechthorende leerlingen in een herkenbare afdeling vorm te geven
  • de omvang van 80 of meer leerlingen voor het SO en 100 of meer voor het VSO als minimumeis te hanteren voor scholen of afdelingen voor kinderen/jongeren met een auditieve beperking
  • regionale samenwerking te zoeken om de kwaliteit van het onderwijs aan doven en slechthorenden middels creatieve organisatievormen te bevorderen
  • het nadrukkelijk ontwikkelen van kennisuitwisseling en kennisdeling.

De keuzemogelijkheden voor het onderwijs worden door CI vergroot 

Voordat de stichting Siméa met het advies aan de slag zou gaan, besloot het stichtingsbestuur een aantal inhoudelijk deskundigen hun mening over het conceptadvies te vragen. Daarom werden zo’n 50 deskundigen uit heel het land op het minisymposium van 12 juni (2008, red) uitgenodigd.

Het doel van de dag was, volgens Harry Knoors, om te bekijken of er in de sector overeenstemming over visie en uitgangspunten gevormd kan worden. “Vanuit een gezamenlijke visie kunnen we de toekomst van het onderwijs in onze sector verantwoord vormgeven.”

 

Van één visie was echter nog geen sprake. Direct na de inleidingen barstte de discussie los. Vooral medewerkers van scholen voor slechthorenden en kinderen met ESM uitten twijfels bij de conclusies en aanbevelingen in de adviesnota. Voor hen staat bijvoorbeeld een clustering van onderwijs aan doven en slechthorenden niet in alle situaties vast. Zij constateren dat ouders om heel verschillende redenen kiezen voor een school. Daarbij speelt niet alleen deskundigheid op het gebied van doven en slechthorenden een rol, maar zijn sfeer, samenstelling van de leerlingpopulatie en ligging van de school vaak ook van belang. Een deelnemer: “Ouders blijken bereid te verhuizen naar de provincie om hun kind daar op een sh/esm school te doen. Dat heeft niets te maken met de inhoudelijke kwaliteit van het onderwijs aan doven en slechthorenden in de stad waar ze vandaan komen, maar meer met de directe omgeving van de school in die stad en de leerlingpopulatie aldaar.” Aan de andere kant maken collega’s zich zorgen over de kwaliteit van het onderwijs aan een kleine groep slechthorenden, als zij op hun school bijna verplicht zijn om gecombineerde groepen met ESM leerlingen te maken.

Ouders kiezen om heel verschillende redenen voor een schoolVerschillende deelnemers uitten hun twijfel over de uitgangspunten waarop het advies gebaseerd is. In het IVA-rapport (Communicatie, taalbeleid en schoolkeuze; januari 2008) gaven vooral ouders van dove en ernstig slechthorende kinderen aan kwaliteit van onderwijs boven reisafstand te kiezen. Ouders van kinderen in de ambulante begeleiding hadden vaker de voorkeur voor een school dicht bij huis. De vraag van de deelnemers was of het advies wel voldoende rekening houdt met de wensen van ouders van (matig) slechthorende kinderen en met de situatie dat slechthorende kinderen ook zonder combinatie met dove kinderen goed onderwijs ontvangen op een aantal SH-scholen in Nederland. Deze twijfel heeft er volgens Cor Verheijen van de Eindhovense Taalbrug onder andere toe geleid, dat zij een contra-expertise bij het Kohnstamm-instituut hebben aangevraagd.

Op onderdelen kon men elkaar 12 juni goed vinden. Michiel van Lee van de van Gilseschool in Haarlem: ”Voor Siméa ligt er een taak om de aanwezige expertise te borgen, onafhankelijk van waar de scholen voor doven of slechthorenden in de toekomst komen. De bestaande expertise moeten we in de hele sector gezamenlijk behouden”. Tineke Wuite van de De Wildeschool in Schagen bevestigde dit: “Leraren van slechthorende kinderen hebben speciale expertise. Die moeten we erkennen. Wensen van scholen om leraren breed inzetbaar te maken, zijn een bedreiging voor die expertise. Als we zuinig willen zijn met die expertise, dan zet je de deskundigen vooral in waar ze nodig zijn en laat je ze niet om de paar jaar van plek of doelgroep wisselen.” Cootje Smit van Effatha Zoetermeer onderkende dit ook voor de leraren van dove kinderen: “Collega’s zijn tegenwoordig veel sneller geneigd om van school te switchen. Als je dan met speciale opleiding en training in hen geïnvesteerd hebt, ben je vervolgens al die deskundigheid weer kwijt en kun je van voren af aan beginnen.” Daarom moeten we volgens Rick van Dijk, bestuurslid van de vereniging Siméa en directeur van de HBO-opleiding leraar/lolk Nederlandse Gebarentaal, ervoor zorgen dat we nieuwe collega’s zo vroeg mogelijk proberen te boeien en binden aan ons onderwijs. “Hoe krijg je dan in reguliere opleidingen die interesse bij studenten voor onze sector? Mij lijkt het van belang om met elkaar regionaal afspraken te maken met opleidingsinstituten. Je kunt dan nieuwe mensen binnen krijgen, die al wat kennis en ervaring meebrengen.”

 Van Dijk: 'We moeten in een vroeg stadium collega's boeien en binden aan het onderwijs'

De dag werd afgesloten met het formuleren van conclusies naar aanleiding van vier discussiethema’s. Een landelijke stuurgroep, geformeerd uit vertegenwoordigers van grote en kleine besturen binnen Siméa neemt deze conclusies mee om aan Siméa over het vervolg te adviseren. Rekening houden met de keuzevrijheid van ouders, het verbeteren van de inhoudelijke uitwisseling tussen professionals, het behoud van inhoudelijke deskundigheid bij ambulant begeleiders die clusteroverstijgend gaan werken en naar de omgeving verhelderen van onze clusterexpertise waren onderwerpen die in de afsluiting aan de orde kwamen.