Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
Samen leven en samen werken gaat niet vanzelf, dat moeten we leren

Samen leven en samen werken gaat niet vanzelf, dat moeten we leren

Corrie Tijsseling geeft haar visie op volwaardig burgerschap voor leerlingen met een beperking

3 mei 2021 - Leestijd 5 - 10 minuten

Houden we in het werken aan burgerschapsvorming op school voldoende rekening met leerlingen die een beperking hebben? De samenleving en het onderwijs zijn systemen die ontworpen zijn voor de meerderheid. In het onderwijs betekent dit dat leerlingen die tot een minderheid behoren, minder goed bediend worden. Corrie Tijsseling (onderzoeker bij Kentalis) pleit voor de erkenning van functionele diversiteit in burgerschapsvorming. Ook leerlingen die een lichaam of brein hebben dat anders functioneert, verdienen expliciete aandacht voor het ontwikkelen van een actieve rol, een constructieve houding en een sterk zelfbeeld, zodat zij volwaardige burgers kunnen worden.

page.header_image.alt

Foto: Gerd Altmann by Pixabay

Wat is burgerschapsvorming?

Burgerschapsvorming is een onderwerp dat toch zeker al wel 15 jaar op de agenda staat. Voor iedereen die werkzaam is in het onderwijs zijn er websites die bomvol informatie staan, zoals de websites van de Stichting Leerplanontwikkeling en Curriculum.nu. Op de website van de Marnix Academie wordt burgerschapsvorming omschreven als “de ontwikkeling van sociale verantwoordelijkheid, dat uitdrukking krijgt in vragen als wie ben ik zelf, wie wil ik zijn, welke rol wil ik vervullen voor anderen en welke bijdrage kan en wil ik leveren aan de samenleving”. Burgers voelen zich medeverantwoordelijk voor een samenleving, zij leveren een bijdrage aan een samenleving en werken samen met anderen om die samenleving gezond te houden. Dat samen werken en samen leven moet ergens geleerd en geoefend worden. De invulling van burgerschapsvorming is echter wisselend per school. Daarom heeft de minister van Onderwijs een wetsvoorstel gemaakt over burgerschapsvorming in het onderwijs, waarin onder andere staat dat scholen leerlingen kennis en respect moeten bijbrengen over de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. De websites van VOS/ABB en de PO-Raad verschaffen allerlei informatie rondom wetgeving en kerndoelen van burgerschapsvorming.

Burgerschap voor personen met een beperking

Dat burgerschap geen vanzelfsprekende zaak is voor personen met een beperking blijkt uit het feit dat de Verenigde Naties een apart Verdrag opstelden inzake de rechten van mensen met een beperking. De Nederlandse regering heeft het dit verdrag in 2016 geratificeerd, en geeft daarmee de boodschap af dat zij de mensenrechten van mensen met beperkingen wil bevorderen, beschermen en waarborgen. Dus, dat mensen met beperkingen beschouwd worden als burgers met rechten en plichten. De centrale begrippen van het verdrag zijn: inclusie, persoonlijke autonomie en volledige participatie. Algemeen wordt bij burgerschapsvorming rekening gehouden met diversiteit. Het gaat dan echter vooral over etniciteit en gender. Men realiseert zich nog onvoldoende dat er ook iets bestaat als functionele diversiteit: een lichaam of brein hebben dat anders functioneert (Patston, 2007). Bijvoorbeeld: wie doof is, gebruikt een visuele taal. Wie autist is, verwerkt informatie op een andere manier. Vanuit dit perspectief zijn mensen met een lichaam dat anders functioneert geen afwijking van het gemiddelde, maar een variatie op het gemiddelde.

Functionele diversiteit is een vorm van diversiteit die nog weinig aandacht krijgt. Daarnaast is er het gegeven dat de samenleving en het onderwijs systemen zijn die ontworpen zijn voor de meerderheid. In het onderwijs betekent dit dat leerlingen die tot een minderheid behoren, minder goed bediend worden. Ook het speciaal onderwijs is een systeem. Weliswaar ontworpen voor een minderheid die op een andere wijze functioneert, maar ontworpen en ingericht door professionals die veelal niet tot die minderheid behoren. Functionele diversiteit is een vorm van diversiteit die nog weinig aandacht krijgt.Het is dus niet verwonderlijk dat belangenorganisaties van personen met een beperking zoals Ieder(in) vaststellen dat het er bij de meeste initiatieven om tot inclusie te komen, toch vaak ongewild en ongemerkt op neerkomt dat alleen diegenen die zich voldoende kunnen aanpassen aan het systeem, met behulp van hulpmiddelen en/of voorzieningen, kunnen participeren. Want het systeem zelf verandert niet of onvoldoende.

Socialisatie en individuatie

Om het systeem te doen veranderen is het onder andere nodig dat mensen met beperkingen zich als burgers gaan gedragen. Burgers die hun rechten kennen en durven opeisen. Dat gaat niet vanzelf, daarvoor is socialisatie nodig. Socialisatie en individuatie vormen samen met kwalificatie de drie functies van onderwijs (Biesta, 2012) en gaan over de vele manieren waarop we deel worden van sociale, culturele en politieke orden. Dat gebeurt door de overdracht van waarden en normen op kinderen en jongeren, in opvoeding en onderwijs. Hetzij op een open manier, door met hen in discussie te gaan, hetzij door specifieke culturele en godsdienstige tradities over te dragen. Socialisatie is het toeleiden van kinderen en jongeren naar het functioneren als burger in een samenleving. Het gaat hierbij nadrukkelijk om ‘toeleiden’: de mogelijke richtingen tonen. Dat betekent ook: voordoen, een voorbeeldfunctie hebben. En minstens zo belangrijk: een dialoog aangaan met de leerling, tekst en uitleg bieden bij je eigen handelen. Waarom doe ik dit, wat is mijn motief en wat is mijn doel daarbij. ‘Begeleiden’ is minder wenselijk, dan gaat het om: aan het handje meenemen en in een bepaalde richting sturen.

Naast socialisatie moet er ook sprake zijn van individuatie: het worden van een autonoom persoon die onafhankelijke keuzen maakt. Waar socialisatie gaat om het vertrouwd worden met bepaalde sociale en culturele orden, gaat het bij individuatie er juist om dat iemand autonoom en onafhankelijk van diezelfde orden, structuren en verwachtingen keuzen kan maken. Bijvoorbeeld door een protest tegen die orden te organiseren. Individuatie wordt nogal eens vertaald als persoonsvorming en dan bedoelt men vaak de ontwikkeling van een prettige persoonlijkheid. Daar gaat het echter niet om, het gaat om subjectificatie, het worden van een subject. Iemand die zichzelf bepaalt, ongeacht van wat anderen daarvan vinden. De tegenhanger van subjectificatie is objectificatie, iemand die door anderen bepaald wordt. Bij leerlingen met beperkingen, zowel in speciaal onderwijs als in regulier onderwijs, is het risico op objectificatie groter dan bij reguliere leerlingen, de ‘gemiddelde, gewone’ leerlingen. Er wordt immers sneller en vaker over hen gesproken en beslist, dan met hen.

Protest

Veranderingen ontstaan niet vanzelf. En soms is het nodig om de boel flink door elkaar te schudden. We kennen allerlei protestbewegingen in onze geschiedenis zoals het Maagdenhuisprotest, de Baas in eigen Buik beweging, de gele hesjes, en de scholieren die spijbelen om voor het klimaat te protesteren. Protestbewegingen van mensen met een beperking zijn echter veel minder bekend. De recente documentaire Crip Camp op Netflix is dan ook een eye-opener voor velen: het toont hoe lammen, blinden en doven in de jaren zeventig in Amerika samenwerkten voor de totstandkoming van een wet waarin hun recht op gelijkwaardigheid en inclusie werd vastgelegd: de Americans with Disabilities Act. Opvallend is de algemene verbazing bij het bredere publiek: in de algemene beeldvorming zijn mensen met beperkingen vooral hulpbehoevend en onschuldig. Die worden niet boos, of behoren niet boos te worden. En als ze dan eens boos worden, neigt men ernaar om dat als ‘gedragsproblemen’ te diagnosticeren. Terwijl boos worden omdat je buitengesloten bent, omdat je onrecht ervaart, een heel normale menselijke reactie is. Een aanrader dus, deze documentaire, vooral voor degenen die werken met mensen met beperkingen, maar zelf tot de meerderheid behoren.  

De inzet van ervaringsdeskundigen is steeds meer een eis vanuit de overheid en vanuit de samenleving, en wordt steeds meer de norm. Dat is een goede zaak, die echter niet te licht opgevat moet worden: we gaan een periode in vol conflicten. Het getuigt van naïviteit om te denken dat we dit ‘even’ kunnen doen: de inzet van ervaringsdeskundigen tot norm verheffen. Het is niet genoeg om alleen maar te verklaren: nu mogen jullie mee doen.

Ten eerste omdat ervaringsdeskundigen niet zomaar even invoegen in de sociale orde, vooral niet als zij geen voorrang krijgen. Groepen en individuen die altijd gemarginaliseerd zijn geweest, worden niet van de ene op de andere dag geëmancipeerd en zelfbewust. Daar gaat tijd overheen en het gaat om veel aspecten: bewustwording, vergroten van zelfwaardering en zelfvertrouwen, ontwikkelen van vaardigheden. Aspecten waar burgerschapsvorming voor nodig is: men moet zich eerst burger (leren) voelen, de eigen rechten en plichten (leren) kennen.  Daaronder valt ook het (leren) formuleren van hetgeen je nodig hebt om te kunnen functioneren en het (leren) van wat je zelf kan doen om samen te kunnen werken. In de praktijk zien we vooral dat praktische zaken geregeld worden: een ruimte, een bureau en zelfs een stoel. Dus: iemand is fysiek aanwezig en heeft de middelen om haar werk te doen. Maar in dezelfde ruimte aanwezig zijn met middelen is nog geen ‘samen werken’.

We moeten willen dat leerlingen en medewerkers met een beperking boos worden, vooral als het gaat “over ons, zonder ons”.

Immers, als de manier van functioneren van de meerderheid de norm blijft, wordt het probleem niet opgelost. Daarmee komen we bij het tweede aspect: sociale orden veranderen niet van de ene op de andere dag. Bijvoorbeeld: bij vergaderingen van collega’s met en zonder een auditieve beperking worden de tolken veelal geregeld door de collega’s met een auditieve beperking. De inzet van tolken is echter voor beide partijen van nut. Zeker in het geval van vertaling tussen gesproken Nederlands en NGT in vergaderingen met niet-gebarentalige collega’s, maar ook als er tolken NmG of schrijftolken ingezet worden: in die gevallen hoeven collega’s zonder auditieve beperking zich niet aan te passen aan de minderheid, de collega’s met een auditieve beperking. Het regelen van tolken vraagt echter veel tijd, zeker als er vaak vergaderd wordt. In de taakstelling en werklast van collega’s met een auditieve beperking wordt daar vooralsnog geen rekening mee gehouden. Zelfs in de sector auditief/communicatief bestaan er nog geen structurele oplossingen voor het regelen van tolken en het zorgen dat tolken hun werk zo goed mogelijk kunnen doen. De last wordt dus gedragen door diegenen die al meer dragen dan de gemiddelde persoon. Naast het regelwerk zijn er obstakels in de vergaderingen zelf, deze zijn ingericht voor mensen die zowel auditief als visueel kunnen waarnemen: praten terwijl je leest, bijvoorbeeld. Wie doof of slechthorend is, moet veel, of alles met de ogen doen en dus keuzen maken: naar een scherm met een powerpoint-presentatie kijken of naar een tolk kijken of stukken lezen. Of alle stukken van tevoren grondig lezen. Hoe dan ook: het laat zich raden dat het werkgeheugen snel overloopt.

Meedraaien in een samenleving en in systemen die niet ingericht zijn op jouw functionele diversiteit is erg vermoeiend. Onderzoek toont herhaaldelijk burn-out symptomen bij volwassenen met een beperking, maar ook bij kinderen met een beperking. Stress, frustratie, chronische vermoeidheid, burn-out of bore-out: geen onbekende termen voor mensen die moeten functioneren in een samenleving die niet op hen is ingericht. Boos worden ligt dan voor de hand: stop!! Sterker nog: boos worden is een plicht, een morele plicht. We moeten willen dat leerlingen en medewerkers met een beperking boos worden, vooral als het gaat “over ons, zonder ons”. Dat is de consequentie als we zeggen dat gelijkwaardigheid en inclusie de norm moeten zijn. Dan moeten mensen met een beperking ook daadwerkelijk mee kunnen doen of als dat niet zo is, in staat zijn om als burgers hun rechten op te eisen. Boos worden is dus een recht en een plicht, maar het is ook een kunst om op een constructieve manier boos te worden en te protesteren. Daarvoor is kritisch reflexief denken nodig, een vorm van denken waarbij een persoon nadenkt over de eigen mogelijkheden en kritisch kijkt naar de eigen keuzen en handelingen. Kritisch reflexief denken kan op individueel niveau, maar kan ook in de vorm van een dialoog waarbij de gesprekspartners elkaar vragen naar hun motieven, hun doelen en hun verwachtingen. Het laat zich raden dat het ontwikkelen van deze vaardigheid een belangrijk onderdeel moet zijn van burgerschapsvorming van leerlingen met een beperking. 

Samen leven en werken

Als we inclusie en gelijkwaardigheid als norm willen toepassen in de samenleving en in de sector auditief/communicatief moeten we nadenken over het geven en krijgen van voorrang: er is extra aandacht voor nodig en er zullen systemen en praktijken moeten veranderen. Daarbij is burgerschap het uitgangspunt: volwaardig en gelijkwaardig meedoen. Dat heeft gevolgen op het gebied van omgang, functioneren, tijd en geld. De minister van Onderwijs beschouwt de school als de proeftuin voor de samenleving, en ziet burgerschapsvorming als een belangrijke taak van het onderwijs. Ook in onze sector is het een taak om leerlingen te begeleiden in het ontwikkelen van een actieve rol, een constructieve houding en een sterk zelfbeeld, zodat zij volwaardig burgers kunnen worden. Bij leerlingen met een auditieve beperking of leerlingen met een TOS is het risico op het ontwikkelen van een passieve houding groter dan bij ‘gemiddelde’ leerlingen, juist omdat communicatie lastiger gaat, over en langs de leerlingen heen gaat. We moeten hier dus veel meer expliciet mee bezig zijn. Spontaan, informeel leren vindt immers minder plaats bij deze leerlingen.

Werknemers hebben een voorbeeldfunctie: zij moeten het goede voorbeeld geven. Maar toch: ze zien wel wat er in hun omgeving gebeurt. Ze zien het als er structureel geen medewerkers op managementniveau zijn die zelf doof of slechthorend zijn, of een TOS hebben. Ze zien het als de paar dove of slechthorende medewerkers en medewerkers met TOS niet mee kunnen doen met hun collega’s. Het is niet raar als onze leerlingen denken dat zij minder waard zijn, als medewerkers met een beperking  niet volwaardig en niet gelijkwaardig mee draaien in de organisatie. Werknemers hebben dus een voorbeeldfunctie naar leerlingen en cliënten: zij moeten het goede voorbeeld geven. Er wordt vaak gezegd dat medewerkers met een beperking rolmodellen zijn voor DSH leerlingen of leerlingen met een TOS. Dat is een beperkte visie, want ook medewerkers die geen beperking hebben, zijn een rolmodel. In die zin dat zij kunnen laten zien hoe je op gelijkwaardige manier omgaat met minderheden, in dit geval mensen met functionele diversiteit, en hoe je vorm geeft aan een inclusieve samenleving. Samen leven en samen werken gaat niet vanzelf, dat moeten we leren. Zowel wij als collega’s als wij met onze leerlingen. Dat vraagt oefening, dat levert conflicten op maar als we de uitdaging aan gaan, levert het ook leersituaties op. Want de school is de proeftuin van de samenleving.