Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
Gerda Bruinsma: “Logopedisten moeten de lead hebben”

Gerda Bruinsma: “Logopedisten moeten de lead hebben”

31 mei 2021 - Leestijd 5 - 10 minuten

Volgens Gerda Bruinsma – logopedist en onderzoeker aan de HU – is het wenselijk dat logopedisten meer behandeltijd besteden aan de behandeling van grammaticale problemen bij kinderen met TOS. Bruinsma trainde logopedisten in het werken met Communicatieve TaalTherapie (CTT) en publiceerde een artikel over haar bevindingen. “Logopedisten hebben een stevige kennisbasis van grammatica nodig”.

page.header_image.alt

Bij Communicatieve TaalTherapie (CTT) gebruiken logopedisten ‘evidence-based’ technieken - zoals ‘recasting’ - in natuurlijke en spelsituaties (1). De behandelaar ‘volgt’ daarbij het kind. Deze methode vergt meer kennis en vaardigheden dan wanneer het kind de behandelaar volgt – bijvoorbeeld door zinnen na te zeggen. De logopedist moet zich immers kunnen aanpassen aan het kind in een ‘vrije’ spelsituatie en tegelijkertijd aan een behandeldoel werken.

De door Bruinsma getrainde logopedisten behandelden vijf kinderen met TOS. De behandeling was effectiever dan de gebruikelijke zorg, waarin eigenlijk relatief weinig aandacht werd besteed aan grammatica (2). Zowel de logopedisten als de kinderen vonden de speelse behandelmethode prettig. Bij verlegen kinderen of kinderen die erg opgingen in het spel was het wel wat moeilijker om uitingen te ontlokken. De auteurs denken dat een meer therapeut-gestuurde aanpak voor dit type kind misschien effectiever is. 

Basiskennis ontleden

Bruinsma ontdekte dat logopedisten vaak onzeker zijn over hun kennis van grammatica. “Studenten leren tijdens hun opleiding een manier van spontane taalanalyse doen, TARSP of GRAMAT of STAP”, vertelt ze. “Ontleden en analyseren van taal komt echt wel uitgebreid aan bod. Maar we gaan er wel vanuit dat ze al een stevige basis in zinsontleding hebben. Misschien moeten we daar niet te veel vanuit gaan. Ook CTT komt aan bod in de opleiding. Maar logopedisten vinden het soms nog lastig om snel te bepalen hoeveel zinsdelen er in de zin zitten. Of om onderscheid te kunnen maken tussen verschillende soorten werkwoorden. De taalkundige kennis – de basis – is te wiebelig.” 

Prioriteiten stellen

Bruinsma beaamt dat logopedisten relatief vaker aan klankontwikkeling en woordenschat werken dan aan grammatica. “Het is lastig om prioriteiten te stellen bij kinderen met complexe spraak- en taalproblemen. Aan fonologie of spraak werken is belangrijk, want een slechte verstaanbaarheid kan kinderen enorm belemmeren. Dus ik kan me voorstellen dat dat een prioriteit is.”

“Voor fonologie en spraak is de laatste decennia veel aandacht gekomen. Er zijn duidelijke testen en behandelmethoden (zoals Metaphon en Hodson & Paden) en er is goede scholing. Dus logopedisten denken ‘dat zit in mijn repertoire en daar hebben kinderen veel baat bij’. Dat geldt ook voor woordenschat, daar zijn leerkrachten en pedagogisch medewerkers ook uitgebreid in geschoold.” 

Multitasken

“Tijdens de behandeling is het makkelijk om te horen of een kind een woord wel of niet gebruikt. Bij spraak is het ook duidelijker: ‘realiseert het kind de klank wel of niet’. Bij syntaxis is dat veel moeilijker. Je moet zelf de juiste zinnen aanbieden, goed luisteren, analyseren wat het kind zegt, een besluit nemen – bijvoorbeeld ‘recast’ of herhalen – soms een stapje terug doen als het niveau te hoog is, voortdurend denken en plannen. Bij het behandelen van grammatica ben je continu aan het multitasken. En dan moet je niet te lang nadenken over ‘waren het nou twee of drie zinsdelen?’”

Voor het onderzoek volgden de logopedisten een dagdeel (vijf uur) training in CTT (het onderdeel morfosyntaxis). “Het was voor de logopedisten belangrijk om hun kennis op te halen en de vaardigheden gericht te oefenen”, zegt Bruinsma. De effectieve technieken zelf (zoals ‘recasting’, ‘focused stimulation’ of uitgelokte productie) staan eigenlijk los van een specifieke behandelmethode. “CTT is meer een didactisch uitgangspunt, net als ‘Met Woorden in de Weer’. Het is een manier van werken. Je moet het niet inzetten als imitatie-oefening, maar toepassen in de communicatieve situatie.”

Foto: Nathan Legakis via Pixabay

Leren door spelen

Bruinsma legt uit hoe CTT zich verhoudt tot andere behandelmethoden voor grammatica, zoals Transparant (3), FIT (Functionele Imitatie van Taalstructuren) (4) of MetaTaal (5). “Ik zie dat kleuters (4-6 jarigen) het minder leuk vinden om Transparant-oefeningen te doen. Ze leren vooral door spelen, dat moet je benutten. Het past niet bij het niveau en de behoefte van een kleuter om aan tafel te zitten en oefeningen te doen. En wat is dan de generalisatie van de therapiesituatie naar de dagelijkse praktijk?”

“In vergelijking met CTT is FIT vrij statisch. Rob Zwitserlood heeft FIT al meer gevarieerd toegepast, bijvoorbeeld door verschillende vormen van het werkwoord aan te bieden in plaats van steeds hetzelfde.” In een studie van Zwitserlood uit 2019 bleek bijvoorbeeld dat FIT-digitaal effectief was voor peuters op een behandelgroep (6). “In CTT kun je een bepaalde structuur ook steeds herhalen”, zegt Bruinsma. “Maar dan is dat onderdeel van het spel, geen aparte oefening.”

Regels uitleggen

Bij oudere kinderen heeft een ‘expliciete’ en ‘metalinguïstische’ aanpak zoals MetaTaal meerwaarde. Dat blijkt ook uit het ZINnig project van de HU (7). “Je kunt de regels dan uitleggen. Maar bij kleuters probeer je juist het impliciete leren nog te stimuleren. Bij hen is het metalinguïstisch bewustzijn nog volop in ontwikkeling, zij beginnen de vorm pas net los te zien van de inhoud.”

Communicatieve redzaamheid

Een succesvolle behandeling vraagt dus veel van de competentie van een logopedist. “Die moet niet alleen kennis hebben over de ontwikkeling van morfosyntaxis, maar ook goed kunnen inschatten welke grammaticale doelen de grootste bijdrage leveren aan de communicatieve redzaamheid van een kind. Enerzijds moeten doelen gebaseerd zijn op de normale taalontwikkeling, anderzijds is het niet de bedoeling om alle structuren die kinderen verwerven af te werken, zonder goed te kijken of dat wel nodig is. Als blijkt dat het kind moeite heeft om in de kring te vertellen wat hij gedaan heeft, en dat hangt samen met problemen in het gebruiken van de verleden tijd, dan ga je dat behandelen – ook als dat nog niet ‘aan de beurt’ is volgens de profielkaart van TARSP.”

Training (video coaching) en protocollen kunnen helpen bij het opstellen van behandeldoelen en het inzetten van behandeltechnieken. Bruinsma vertelt dat ze bezig is met een publicatie daarover. “Want logopedisten hebben ontzettend weinig tijd om de behandeling voor te bereiden. Je moet iets maken wat ze zo uit de kast kunnen pakken.”

Automatische spontane taalanalyse

Bruinsma is ook enthousiast over de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van automatische spontane taal analyse, in projecten zoals SASTA (8). Met dit soort software wordt het makkelijker om zinnen te ontleden. Maar ook met automatische analyse blijft inzicht in de grammatica nodig. “Het is belangrijk dat logopedisten zichzelf blijven trainen, zodat ze zinsstructuren snel herkennen en zich er zeker in voelen.”

Tot slot benadrukt Bruinsma dat het ontzettend belangrijk is om aan morfosyntaxis te werken. “Bij spraak is het vanzelfsprekend om te denken ‘ik versta het kind niet goed’. Maar bij morfosyntaxis is dat minder het geval: ‘misschien begrijp ik hem niet omdat hij zinsdelen weglaat of omdat hij fouten maakt in de morfologie’. Grammaticale problemen hebben grotere gevolgen voor de begrijpelijkheid dan we misschien denken. Logopedisten moeten de lead hebben: het stimuleren van de grammaticale ontwikkeling hoort nadrukkelijk bij ons vakgebied.”

Literatuur

(1) Van den Dungen, L. (2007). Taaltherapie voor kinderen met taalontwikkelingsstoornissen. Coutinho.

(2) Bruinsma, G., Wijnen, F., & Gerrits, E. (2020). Focused stimulation intervention in 4- and 5-year-old children with developmental language disorder: Exploring implementation in clinical practice. Language, Speech, and Hearing Services in Schools, 51(2), 247-269. https://pubs.asha.org/doi/abs/10.1044/2020_LSHSS-19-00069

(3) Boddé, F., Mohr-André de la Porte, T., Muller, K., & Van Netten, K. (2015). Transparant XL. Ternat: Beart B.V.

(4) Schlichting, L., & De Koning, G. (2015). FIT-digitaal. Een interactief taalprogramma voor de zinsbouw. http://www.liesbethschlichting.nl/fit/

(5) Zwitserlood, R. L. M. (2015). MetaTaal. Nederlands Tijdschrift Voor Logopedie, 16(11), 6-13.

(6) Zwitserlood, R. L. M. (2019). Effectiviteit en bruikbaarheid van FIT-digitaal in TOS behandelgroepen van Auris: een pilotstudie. VHZonline. https://vhz-online.nl/effectiviteit-en-bruikbaarheid-van-fit-digitaal-in-tos-behandelgroepen-van-auris-een-pilotstudie

(7) Hogeschool Utrecht (2019). ZINnig Onderzoek. https://husite.nl/zinnig/onderzoek/

(8) Renckens, E. (2021). Online tool SASTA analyseert taal. E-data & Research. https://edata.nl/2021/02/10/online-tool-sasta-analyseert-taal/