Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
Gebaren leren in het regulier onderwijs: "Hoe gaan we die kinderen bereiken?"

Gebaren leren in het regulier onderwijs: "Hoe gaan we die kinderen bereiken?"

Interview met drie ontwikkelaars van de online gebarencursus S I G N

3 november 2022 - Leestijd 3 - 5 minuten

De meeste dove en slechthorende (D/SH) kinderen gaan tegenwoordig naar het regulier onderwijs, waar ze geen gebaren(taal) leren. Maar gebarentaal is ook voor deze kinderen belangrijk. Daarom werken Kentalis en Auris binnen Deelkracht samen aan de online gebarencursus S I G N: Samen Inclusief I Gebaren en Netwerken. VHZ sprak drie ontwikkelaars van S I G N over de eerste resultaten.

page.header_image.alt

S I G N gaat niet alleen over gebaren, maar ook over hoe het is om doof te zijn in een horende omgeving. De cursus bestaat uit negen ‘live’ online lessen voor kinderen. Voorafgaand aan elke les oefenen de kinderen met gebaren in een online leerportaal. Ook krijgen ze opdrachtjes om zich op de les voor te bereiden. De lessen over dovencultuur en identiteit komen deels uit een bestaand lessenpakket CIDS (Culturele vorming en Identiteit voor Doven en Slechthorenden). Bij het pakket horen ook nog een e-learning en een webinar. Die onderdelen zijn bedoeld voor ouders, maar ze zijn ook geschikt voor ‘beroepskrachten’ uit de omgeving van het kind, zoals de sportleraar. En er zijn twee netwerkdagen, waarop de deelnemers elkaar ‘in het echt’ kunnen ontmoeten.

Eén van de ontwikkelaars van S I G N is Corine Brandwijk, docent Nederlandse Gebarentaal (NGT) bij Auris. Aan het interview doen ook twee ontwikkelaars van Kentalis mee; projectleider Arie Terpstra en gebarentaaldocent Marleen Betten. We houden het interview in NGT, omdat dat de voertaal is van de projectgroep.

Oefenen met Zoom op de eerste netwerkdag
Foto: Koninklijke Auris

Oefenen met Zoom op de eerste netwerkdag

Een netwerk opbouwen e.v.

Een netwerk opbouwen

Corine Brandwijk legt uit waarom deze lessen nodig zijn. “Vroeger zaten dove en slechthorende kinderen altijd samen op school, op het speciaal onderwijs. Maar nu zie je dat ze steeds meer verspreid zitten. Ze hebben nu vaker een hoorapparaat of een CI en solo-apparatuur, de technologie is sterk verbeterd. Maar ze blijven doof of slechthorend”. Gebarentaal is volgens Brandwijk belangrijk voor de identiteitsontwikkeling van deze kinderen. Gebarentaal heeft voor alle D/SH kinderen meerwaarde, zegt ook Marleen Betten.

Arie Terpstra wijst erop dat ook ouders meer informatie over gebaren willen. “Ouders vinden gebaren belangrijk. Maar ze weten niet wie het aanbiedt. En kinderen vinden het zelf heel lastig om een netwerk op te bouwen.” Het doel van het project is meer inclusiviteit. Maar dat is volgens Terpstra niet ‘je zit nu op regulier onderwijs en succes ermee’. “Gebaren zijn ook belangrijk bij sport en in de wijk. Het hele netwerk moet betrokken worden.” S I G N is volgens de ontwikkelaars ook belangrijk voor het contact met dove rolmodellen en bondgenoten. “Daar worden dove kinderen sterker van”, zegt Brandwijk.

Minder inspanning

Volgens Terpstra vergeten mensen vaak dat een D/SH kind in een horende klas meer nodig heeft. “Dat kind moet de hele tijd kijken en opletten: ‘wie is er nu aan het woord’? Of de juf draait zich al pratend om, om iets op het bord te schrijven.” Met gebaren kun je makkelijk aanwijzen wie er aan het woord is. Ook een voetbaltraining wordt veel duidelijker als je een paar basisgebaren gebruikt. “Op die manier kunnen deze kinderen gelijkwaardiger meedoen met de andere kinderen. En dat kost dan veel minder inspanning.”

Terpstra benadrukt dat gebaren en visuele communicatie ook voor horenden waardevol zijn. Het gaat hem er dus niet om dat iedereen vloeiend NGT moet beheersen. NGT is een volwaardige taal met een eigen grammatica. Maar je kunt gesproken Nederlands ook ondersteunen met gebaren uit de NGT. “We willen de drempel verlagen. We bieden NGT aan omdat je zo ook veel leert over visuele strategieën. Dat is voor horende kinderen vaak ook heel prettig”.

Volgens Brandwijk is het ook belangrijk dat D/SH kinderen op het reguliere onderwijs een tolk kunnen blijven volgen. “De kennis van NGT die daarvoor nodig is moet je wel opbouwen.”

Met de gymdocent op de eerste netwerkdag
Foto: Koninklijke Auris

Met de gymdocent op de eerste netwerkdag

Sport en spel

Sport en spel

Aan de eerste pilot deden vijf kinderen van 8-10 jaar mee uit groep 5 en 6. Uiteindelijk bleven er van die groep drie kinderen over. Het NGT niveau was voor één van de kinderen namelijk te laag. Een ander kind (uit groep 4) bleek nog te jong voor de digitale lessen. Brandwijk vertelt dat de kinderen erg van elkaar verschilden: één was nog nooit in aanraking gekomen met gebaren. “Die vond gebaren fantastisch”. Een ander gebruikte al een tolk in de klas. Wel hadden (op een na) alle kinderen in het verleden vroegbehandeling of ambulante begeleiding gekregen.

Hoe verliep de eerste netwerkdag, voorafgaand aan de cursus? “De kinderen waren nog wel wat onwennig”, vertelt Brandwijk. Maar ze leerden elkaar kennen tijdens sport en spel. Er was een dove gymjuf en een tolk aanwezig. “Bij de evaluatie, na de tweede netwerkdag, konden we ook communiceren zonder tolk.” Volgens Terpstra waren de kinderen enthousiast. “Vooral over het sport en spel, dat moet blijven”.  En ook ouders vonden de dag zinvol; ze konden ervaringen uitwisselen en kregen meer informatie over het project.

Met de gebarentaaldocent op de laatste netwerkdag
Foto: Koninklijke Auris

Met de gebarentaaldocent op de laatste netwerkdag

Meer gebarentaaldocenten e.v.

Meer gebarentaaldocenten

De projectgroep wil het pakket in de toekomst graag uitbreiden met lessen voor kinderen van 10-12 jaar (uit groep 7 en 8). Voor leerlingen uit groep 8 zullen de lessen dan ook gaan over de voorbereiding op het voortgezet onderwijs.

Daarvoor zijn wel eerst meer gebarentaaldocenten nodig. De groep heeft een sterke voorkeur voor dove docenten: die kunnen een rolmodel zijn voor de kinderen en putten uit eigen ervaring. Bovendien, vertelt Terpstra, gaan kinderen praten tegen horende docenten, al zijn die nog zo gebarenvaardig.

Andere organisaties

Terpstra vertelt dat ze uiteindelijk een grote groep kinderen willen bereiken. “Een groeiend aantal kinderen komt terecht in het regulier onderwijs, zonder ambulante begeleiding en zonder in contact te zijn geweest met vroegbehandeling of D/SH onderwijs. De vraag is dus: hoe gaan we die kinderen bereiken?”

Een idee is om schoolkoepels te benaderen om S I G N onder de aandacht te brengen. Het lespakket moet ook bekender worden bij andere organisaties, zoals de audiologische centra. “Het zou mooi zijn als leerkrachten of ouders het ook gewoon zelf kunnen aanvragen, bijvoorbeeld via het buurthuis, los van een indicatiestelling voor zorg of ambulante begeleiding”, besluit Terpstra.

Meer informatie over S I G N is beschikbaar via Deelkracht. Leerkrachten of schooldirecteuren die meer willen weten kunnen contact opnemen met Auris of Kentalis.