Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
Een ontwikkelingsvolgmodel voor kinderen met taal- en spraakproblemen

Een ontwikkelingsvolgmodel voor kinderen met taal- en spraakproblemen

9 augustus 2008 - Leestijd 15 - 20 minuten

Om planmatig te kunnen handelen en dat handelen te onderbouwen is het nodig dat de ontwikkeling van kinderen in de zorg en het onderwijs gevolgd kan worden. In het onderstaande artikel van Cecile Kuijpers (Radboud Universiteit Nijmegen) en Lianne Vermeulen (Sint Marie, Eindhoven) wordt een nieuw ontwikkelingsvolgmodel voor peuters met taal- en spraakproblemen beschreven.

page.header_image.alt

Foto: Michel van der Poel

peutervolgsysteem

Peutervolgsysteem

In de praktijk wordt steeds meer de noodzaak gevoeld om in de begeleiding en behandeling van kinderen met communicatieproblemen evidence-based te werken. Hoewel groepsleidsters en pedagogisch medewerksters over veel kennis beschikken met betrekking tot de ontwikkeling van jonge kinderen, is het toch moeilijk om de kinderen op een betrouwbare en gestructureerde manier in hun ontwikkeling te volgen. Op Sint Marie te Eindhoven werd de behoefte gevoeld om een instrument te ontwikkelen dat gebruikt kan worden in de speciale peutergroepen om het cognitieve en het niet-cognitieve gedrag te beoordelen. Sint Marie is een orthopedagogisch centrum voor diagnostiek en behandeling van kinderen/jeugdigen/jongeren met communicatieproblemen. Peutergroep Pim Pam Pet is voor peuters met hoor-, taal- en spraakproblemen en een normale nonverbale cognitie in de leeftijd van 2-4 jaar bij wie geen sprake is van ernstige complicerende problematiek op het gebied van motoriek, sociaal gedrag, opvoeding en dergelijke. Het huidige onderzoek is gericht op deze groep peuters. In samenwerking met de vakgroep Orthopedagogiek Leren en Ontwikkeling van de Radboud Universiteit Nijmegen is een peutervolgsysteem ontwikkeld voor kinderen met taal- en spraakproblemeni . Het komt tegemoet aan de behoefte om leidsters een instrument te bieden waarmee de peuters in hun ontwikkeling gevolgd kunnen worden, en waarmee informatie op een gestructureerde manier overgedragen wordt, wanneer de kinderen doorstromen naar een andere groep, school of instelling. De ontwikkeling van dit volgsysteem heeft een aantal opeenvolgende jaren in beslag genomen en heeft geleid tot het Ontwikkelingsvolgmodel voor peuters met taal- en spraakproblemen (OVM-S).

Inleiding

Inleiding

Tussen de 2 en 4 jaar maakt een peuter een enorme ontwikkeling door op alle ontwikkelingsgebieden. Peuterleidsters hebben de attitude, kennis en vaardigheden om die ontwikkeling nauwgezet te volgen. Kinderen met een normaal ontwikkelingsverloop laten over het algemeen een harmonieuze en doorgaande ontwikkeling zien op allerlei ontwikkelingslijnen (Njiokiktjien, 2004). Bij kinderen met communicatieproblemen kan die doorgaande ontwikkelingslijn op meerdere gebieden dan alleen de taal een vertraging of stagnatie laten zien (Lindsay & Dockrell, 2000; Goorhuis-Brouwer, 2004; McCabe, 2005). Door in deze belangrijke leeftijdsperiode gebruik te maken van een valide en betrouwbaar instrument kan de peuterleidster de ontwikkeling van het jonge kind met communicatieproblemen goed volgen, hetgeen voorwaarde is om doelgericht en methodisch te kunnen handelen. Een van de bestaande volgsystemen is het CITO Peutervolgsysteem. Het bestaat uit een nietcognitief deel in de vorm van een observatielijst, en een cognitief deel in de vorm van de drie toetsen Taal, Ordenen, en Tijd en Ruimte. Uit onderzoek van Van der Made (2004) blijkt echter dat de observatielijst van het CITO Peutervolgsysteem niet differentieert tussen peuters met en peuters zonder taal- en spraakproblemen. Het geringe aantal items per schaal en de bij bepaalde items onduidelijke vraagstelling worden als verklaring geopperd.

Het CITO Peutervolgsysteem is onvoldoende bruikbaar om de ontwikkeling van peuters met taal- en spraakproblemen te volgen

Verder blijkt dat de observatielijst van het CITO Peutervolgsysteem niets toevoegt aan een observatielijst zoals die door de peuterleidsters van Pim Pam Pet is samengesteld en ook gebruikt wordt in de praktijk. Wat betreft de toetsen zijn de peuters met taal- en spraakproblemen veel zwakker dan de controlegroep, niet alleen op de toets Taal, maar ook op de toetsen Ordenen en Tijd en Ruimte (Van der Made, 2004). Dit kan verklaard worden door het feit dat ze veel moeite hebben met het begrijpen van de opdrachten, en dat de duidelijkheid en de afwisseling van het gebruikte beeldmateriaal te wensen overlaat. Elke toets is vrij lang en vraagt een relatief hoog niveau van taalbeheersing. De instructies zijn louter verbaal, bevatten soms lange en/of moeilijke zinnen en abstracte begrippen, en de plaatjes bevatten vaak veel details die moeilijk te onderscheiden zijn. Een factoranalyse op de data laat zien dat het groepsverschil op elke toets verklaard kan worden door de factor Taalvaardigheid. Bij elke toets wordt dus veeleer taalvaardigheid gemeten in plaats van inzicht in concepten op het gebied van ordenen, tijd en ruimte. De conclusie is dat het CITO Peutervolgsysteem onvoldoende bruikbaar is in zijn huidige vorm om de ontwikkeling van peuters met taal- en spraakproblemen te volgen.

Lees het volledige artikel uit 2008

Volledige artikel

Lees het volledige artikel door de PDF te openen.

Literatuuroverzicht

  1. Baker, A., Blankenstijn, C., & Roelofs, M. (2000). Pragmatiek. In: Gillis, S. & Schaerlaekens, A. (red.) (2000). Kindertaalverwerving. Groningen: Martinus Nijhoff uitgevers.
  2. Bartelen, E. (2005). Experimenteel ontwikkelingsvolgmodel voor peuters met een spraaktaalprobleem. Scriptie Pedagogische Wetenschappen (Leren en Ontwikkeling), Radboud Universiteit Nijmegen.
  3. Bishop, D.V.M. (1997). Uncommun Understanding. Development and Disorders of Language Comprehension in Children. UK: Psychology Press.
  4. Blom, A., Duvekot-Bimmel, A. & Jaeger, B. de (2001). KIJK! registratiemodel. Middelburg: Regionaal Pedagogisch Centrum Zeeland (RPCZ).
  5. Cools, A.T.M., & Hermans, J.M.A. (1979). DOS-Handleiding. Amsterdam: Swets & Zeitlinger.
  6. Dungen, L. van den & Verboog, M. (1991). Kinderen met taalontwikkelingsstoornissen. Muiderberg: Coutinho.
  7. Dungen, L. van den & den Boon, N. (2001). Beginnende Communicatie. Amsterdam: Swets & Zeitlinger.
  8. Gillis, S. & Schaerlaekens, A. (red.) (2000). Kindertaalverwerving. Groningen: Martinus Nijhoff uitgevers.
  9. Goorhuis, S.M., & Schaerlaekens, A.M. (1997). Handboek taalontwikkeling, taalpathologie en taaltherapie bij Nederlandssprekende kinderen. Utrecht: Uitgeverij De Tijdstroom BV.
  10. Goorhuis-Brouwer, S., Coster, F., Nakken, H. & lutje Spelberg, H. (2004). Environmental factors in developmental language disorders. In: L. Verhoeven & H. van Balkom (eds.), Classification of Developmental Language Disorders. Theoretical Issues and Clinical Implications.
  11. Mahwah, NJ: Lawrence Erlbaum. Ierland, S. van (2005). Een aanpassing van het CITO Peutervolgsysteem voor kinderen met Taal- en/of Spraakproblemen. Scriptie Master Spraak- en Taalpathologie, Radboud Universiteit Nijmegen.
  12. Janssens, J.M.A.M. (2002). Ogen doen onderzoek. Lisse: Swets & Zeitlinger. Jong, de, J. (1997). Specifieke taalontwikkelingsstoornissen: linguïstische aspecten. Stem-, spraak-taalpathologie, afl.1
  13. Kievit, Th., Tak, J.A., Bosch, J.D. (2002). Handboek psychodiagnostiek voor de hulpverlening aan kinderen. Utrecht: Uitgeverij De Tijdstroom BV.
  14. Kuyk, J. van (2000). CITO Peutervolgsysteem. CITO-groep.
  15. Lindsay, G. & Dockrell, J. (2000). The behaviour and self-esteem of children with specific speech and language difficulties. British Journal of Educational Psychology, 70, 583-601.
  16. Made, A. van der (2004). Peutervolgsysteem voor kinderen met complexe spraaktaalproblematiek. Scriptie Pedagogische Wetenschappen (Leren en Ontwikkeling), Radboud Universiteit Nijmegen.
  17. McCabe, P.C. (2005). Social and behavioral correlates of preschoolers with specific language impairment. Psychology in the Schools, Vol. 42(4). CUNY: Brooklyn College.
  18. McTear, M. & Conti-Ramsden, G. (1992). Pragmatic Disability in Children. London: Whurr Publishers.
  19. Njiokiktjien, C. (2004). Gedragsneurologie van het kind. Amsterdam: Suyi Publicaties.
  20. Peet, van, A.A.J., van den Wittenboer, G.L.H., & Hox, J.J. (2001).Toegepaste statistiek. Inductieve technieken. Groningen/ Houten: Wolters-Noordhoff.
  21. Pernot, E. (2008). Peutervolgsysteem voor kinderen met taalspraakproblemen. Scriptie Master Spraak- en Taalpathologie, Radboud Universiteit Nijmegen.
  22. Shonkoff, J.P., & Meisels, S. J. (2000). Handbook of early childhood intervention. Cambridge: University Press.
  23. Visscher, K. (2006). Ontwikkelingsvolgmodel voor peuters met Spraaktaalproblemen. Scriptie Pedagogische Wetenschappen (Leren en Ontwikkeling), Radboud Universiteit Nijmegen.
  24. Wells, G. (1985).Language Development in the Pre-school Years. Cambridge: Cambridge University Press.
  25. Westra, E. & Koning, L. (1997). Pravoo leerlingvolg- en hulpsysteem voor groep 1, 2 (3) en i.o.b.k.. Lekkerkerk: Uitgeverij Pravoo.