Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
Taalontwikkeling van Nederlandse en Vlaamse kinderen met een cochleair implantaat

Taalontwikkeling van Nederlandse en Vlaamse kinderen met een cochleair implantaat

14 juni 2008 - Leestijd 10 - 20 minuten

De Gezondheidsraad adviseerde in 2001 om cochleaire implantatie bij kinderen een plaats te geven binnen gezinsbegeleiding waarin zowel het gesproken Nederlands als de Nederlandse Gebarentaal wordt aangeboden. Hoe de taalontwikkeling bij tweetalig opgevoede CI kinderen verloopt, daarover is nog maar weinig bekend. In onderstaand Vlaams-Nederlands onderzoek (2008, red) wordt een tip van de sluier opgelicht.

page.header_image.alt

Foto: Harry op den Kamp

Inleiding

Inleiding

Steeds vaker kiezen ouders, in geval van een ernstig gehoorverlies bij hun kind, voor een cochleair implantaat (CI). Op dit ogenblik zijn er wereldwijd al meer dan 130.000 personen met een CI, waarvan meer dan de helft kinderen. Jaarlijks worden in Nederland ruim 350 en in België ruim 220 cochleaire implantaties uitgevoerd. De leeftijd waarop een implantatie plaatsvindt is geleidelijk gedaald naar de leeftijd van één jaar en zelfs jonger. (De Raeve, 2006). Onderzoek bij dove en slechthorende kinderen met een CI laat positieve effecten zien op de spraakperceptie, de spraakproductie en bepaalde aspecten van de taalontwikkeling (Thoutenhoofd et.al., 2005). Ondanks dit positieve beeld zijn er nog veel onduidelijkheden over het effect van CI op de taalontwikkeling van deze kinderen. Bovendien hebben tegengestelde boodschappen tussen hulpverleners en de beperkte studies rond het gebruik van gebaren(taal) bij kinderen met een CI tot gevolg dat ouders van deze kinderen worden geconfronteerd met tegenstrijdige informatie over de opvoeding van hun dove kinderen.

In Nederland groeien dove kinderen met en zonder CI op in een taalomgeving waarbij zowel de Nederlandse Gebarentaal als het gesproken Nederlands de aandacht krijgen. Voor dove kinderen zonder CI zijn er aanwijzingen dat een tweetalige opvoeding positieve effecten heeft op de taalontwikkeling, de sociaal-emotionele ontwikkeling en de schoolprestaties (Heiling, 1994; Heiling, 1998; Preisler & Ahlström, 1997). Voor kinderen met een CI is dit echter nog niet duidelijk. Sommige onderzoekers rapporteren een betere gesproken taalontwikkeling als het kind met een CI alleen met gesproken taal in aanraking komt (Geers, Nicholas & Sedey, 2003; Kirk et al., 2002; Miyamoto, Kirk, Svirsky, & Sehgal, 1999). Andere onderzoekers vinden geen verschillen in gesproken taalontwikkeling bij eentalige versus tweetalige kinderen met een CI (Connor, Hieber, Arts & Zwolan, 2000; Nordqvist & Nelfelt, 2004; Yoshinaga, 2006). Dit was dan ook de aanleiding voor het opstarten van een onderzoeksproject waarin de taalontwikkeling van Nederlandse kinderen in een tweetalige omgeving vergeleken werd met de taalontwikkeling van Vlaamse kinderen in een dominant eentalige, gesproken taalomgeving. Van de tweetalige kinderen werd bovendien de ontwikkeling van de gesproken taal en de Nederlandse Gebarentaal met elkaar vergeleken.

Literatuuroverzicht

  1. Connor, C.M., Hieber, S., Arts, H., & Zwolan, T. (2000). Speech, Vocabulary, and the Education of Children Using Cochlear Implants: Oral or Total Communication? Journal of Speech, Language and Hearing Research, 43, 1185-1204.
  2. De Raeve, L. (2006). Invloed van de vroege gehoorscreening op de resultaten na cochleaire implantatie. Tijdschrift voor Geneeskunde (België), 62(3), 245-252.
  3. Geers, A.E., Nicholas, J.G., Sedey, A.L. (2003). Language skills of children with early cochlear implantation. Ear & Hearing, 24, 46S-58S.
  4. Heiling, K. (1994). Deaf children’s development in a temporal perspective: Academic achievement levels and social processes. Malmö: Lund University.
  5. Heiling, K. (1998). Bilingual vs oral education. Academic achievement levels in deaf eight-graders from two decades. In Weisel A (ed) Issues unresolved: New Perspectives on language and deaf education. Gallaudet: University Press.
  6. Kirk, K.I., Miyamoto, R.T., Lento, C.L., Ying, E., O’Neill, T., & Fears, B. (2002). Effects of age at implantation in young children. Annals of Otology, Rhinology, and Laryngology, 189, 69-73.
  7. Miyamoto, R.T., Kirk, K., Svirsky, M.A., & Sehgal, S.T. (1999). Communication skills in pediatric cochlear implant recipients. Acta Otolaryngology, 119, 219-224.
  8. Nordqvist, A., & Nelfelt, K. (2004). Early Bilingual Language Development in Deaf Children with Cochlear Implants – Is It Possible? In Schmidt, E., Mikkelson, U., Post, I., Simonsen, J.B. & Fruensgard, K. (Eds.) Brain, Hearing and Learning (pp. 1-12). Copenhagen: Proceedings from the 20th Danavox Symposium.
  9. Preisler, G.M., & Ahlström, M. (1997). Sign language for hard of hearing children – a hindrance or a benefit for their development? European Journal of Psychology of Education, 12(4), 465-477.
  10. Preisler, G.M., Tvingstedt A, & Ahlström, M. (2005). Interviews with deaf children about their experiences using cochlear implants. American Annals of the Deaf, 150(3), 260-267.
  11. Thoutenhoofd, E.D., Archbold, S.M., Gregory, S., Lutman, M.E., Nikolopoulos, T.P., & Sach, T.H. (2005). Paediatric Cochlear Implantation: Evaluating Outcomes. London: Whurr Publishers.
  12. Wiefferink, C.H., De Raeve, L., Spaai, G.W.G., Wenners-Lo-A-Njoe, V.T., Vermeij, B.A.M., Uilenburg N. (2007). Onderzoek naar de ontwikkeling van jonge dove kinderen met een cochleair implantaat in een tweetalige omgeving. Amsterdam, NSDSK.
  13. Yoshinaga-Itano, C. (2006). Early identification, communication modality, and the development of speech and spoken language: patterns and considerations. In Spencer, P. & Marschark, M. (Eds.), Advances in the Spoken Language Development of Deaf and Hard-of-hearing Children (pp. 298-327). Oxford, New York: Oxford University Press.