Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
“TOS is geen aparte categorie, maar ligt op een continuüm”
Deel dit artikel

“TOS is geen aparte categorie, maar ligt op een continuüm”

8 december 2017 - Leestijd 5 - 8 minuten

Op de conferentie TaalStaal van 10 november jl. sprak professor Laurence Leonard over grammaticale problemen van kinderen met TOS. Recent onderzoek laat zien dat als de taalinput gemodificeerd wordt, kinderen bepaalde grammaticale regels sneller leren. In dit interview vragen we prof. Leonard onder meer naar ander recent onderzoek.

page.header_image.alt

Vragen 1 en 2

Toen ik dit interview voorbereidde en me in uw werk verdiepte, viel mij op dat u schrijft dat er geen af te grenzen categorie kinderen met een TOS is. Het is volgens u een continuüm. Klopt dat? Kunt u onze lezers uitleggen hoe dat zit?

“Je kunt beredeneren dat er geen zwart-wit onderscheid is tussen ‘stoornis’ en ‘laag-normaal’ functioneren maar dat er sprake is van een continuüm. Hiervoor heb je zowel genetisch bewijs als het bewijs op gedragsniveau. Het is duidelijk dat een TOS een multifactoriële stoornis is. Veel van de kleine genetische en omgevingsinvloeden zorgen voor de grote spreiding in taalvermogen in de ‘normale’ populatie. Aan de andere kant – en ik wil dat echt benadrukken – moeten kinderen die heel laag op het continuüm zitten (de kinderen met een TOS) zeker geholpen worden door specialisten op het gebied van de taalontwikkeling! Deze kinderen hebben hulp nodig bij het functioneren, omdat zonder die hulp hun communicatieve, schoolse, sociale en zelfs economische welzijn in gevaar komt.”

 

Maar toch wordt dat verschil in de praktijk heel belangrijk gevonden…?

“Omdat er nu eenmaal regels nodig zijn over wie in aanmerking komt voor hulp, is het nodig dat er te onderscheiden categorieën zijn van kinderen ‘mét een stoornis’ en ‘zonder stoornis’. Ik praat alleen over het continuüm om uit te leggen dat er geen kwalitatief verschil is tussen kinderen met en zonder een TOS. De mensen die zeggen dat er een continuüm is tussen kinderen met een specifieke en een niet-specifieke taalstoornis hebben ook gelijk. Dan zeg ik in antwoord daarop: ook de grens tussen stoornis en geen stoornis is arbitrair/artificieel. Ik weet niet hoe het in Nederland is, maar in de VS zouden we meer kinderen willen helpen dan we kunnen helpen. Dus als er meer middelen waren, zouden we de grenzen verleggen zodat er meer kinderen in aanmerking komen voor hulp.”

Professor Laurence B. Leonard
Foto: Peter Strating

Professor Laurence B. Leonard

Vragen 3, 4, 5 en 6

U bent nu enige tijd bezig met een onderzoek naar woordleren bij jonge kinderen met een TOS. Kunt u me daar meer over vertellen?

“We zijn bezig om te onderzoeken welke invloed herhaalde herinnering heeft op het woordleren bij 4- en 5-jarige kinderen met een TOS. De kinderen in het onderzoek zijn allemaal eentalig, Engelstalig. We hebben ons laten inspireren door al wat oudere literatuur uit de cognitieve psychologie, speciaal gericht op de werking van (of de invloed van?) het geheugen. Wat daar gevonden werd is dat als studenten zichzelf ‘overhoren’ tijdens het leren van nieuw materiaal, ze een veel beter langetermijngeheugen blijken te hebben dan als ze alleen de stof keer op keer herhalen, zonder zichzelf te overhoren. Dit idee hebben we toegepast op het leren van nieuwe woorden door kinderen. In deze experimenten leren kinderen verzonnen namen als ‘dimp’ en ‘pobik’ voor plaatjes van exotische dieren en planten.”

 

Zijn er al eerste resultaten?

“Uit ons eerste experiment bleek dat kinderen nieuwe woorden die ze steeds opnieuw zelf moesten produceren beter onthouden dan andere woorden, die net zo vaak herhaald werden, maar die ze niet zelf hoefden te produceren. Dit gold voor kinderen met én zonder TOS. Daarnaast bleek dat dit het beste werkt als ‘herinnering met extra inspanning’ wordt toegepast. Dit hebben we in het tweede experiment uitgevonden. We vergeleken de situatie waarbij kinderen direct na het leren van het woord het plaatje mogen benoemen, met de situatie dat er verschillende andere woorden tussendoor komen, voordat ze het woord mogen benoemen. Er was dus een wachttijd voordat de kinderen het woord konden ophalen uit hun geheugen. Bijvoorbeeld: de kinderen horen achtereenvolgens “dimp” dan “pobik” dan “yutt”, en dan is de vraag om ‘’dimp’’ ‘op te halen’. Eerst hebben kinderen daar moeite mee, maar als het eenmaal lukt, onthouden ze de woorden beter dan de woorden die ze direct moesten ophalen, de ‘moeiteloze herinnering’.”

 

Was er verschil tussen de kinderen met een TOS en de kinderen zonder een TOS?

“De kinderen met een TOS onthielden minder woorden dan de kinderen zonder TOS van dezelfde leeftijd. Echter, de woorden die de kinderen met een TOS onthielden, kenden ze een week later ook nog, net als de zich normaal ontwikkelende kinderen van dezelfde leeftijd.

Kinderen met TOS hebben bij woordleren een probleem in het eerste aanleren, maar het langetermijngeheugen is hetzelfde als bij kinderen zonder TOS

Dit is heel belangrijk, want het betekent dat kinderen met een TOS dat wat ze eenmaal geleerd hebben niet vaker vergeten dan zich normaal ontwikkelende kinderen. Het probleem zit hem dus in het eerste aanleren, maar eenmaal over die drempel is het lange termijn geheugen hetzelfde. Ten slotte bleek dat er verschil is tussen het leren van een bepaalde woordvorm (bijvoorbeeld ‘pobik’), en het leren van de betekenis van dat woord. Van ieder nieuw woord leerden de kinderen in het onderzoek namelijk een andere betekenis of inhoud. Bijvoorbeeld dat waar dat dier van houdt. Het waren willekeurige associaties, bijvoorbeeld ‘een pobik houdt van regen’. We vonden dat beide groepen kinderen beter waren in het leren van de betekenis dan in het leren van de woordvorm (‘pobik’). Voor de kinderen met TOS was het leren van de woordvorm extra moeilijk, maar dat leren werd sterk verbeterd door de herhaalde inspannende herinnering.”

 

Is dit onderzoek al gepubliceerd? Waar kunnen onze lezers het vinden?

“Er is slecht nieuws en goed nieuws voor uw lezers. Het slechte nieuws is dat dit onderzoek nog niet gepubliceerd is. Het goede nieuws is dat uw lezers via dit artikel de eersten zijn die over dit onderzoek horen.”