Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
Roos Wattel: “Voor het basisonderwijs is de dovenschool altijd de beste optie”
  • Interview
  • Doof
  • Onderwijs
  • Participatie
  • Slechthorend

Roos Wattel: “Voor het basisonderwijs is de dovenschool altijd de beste optie”

10 februari 2018 - Leestijd 10 - 15 minuten

Op 18 november 2017 vond in Lunteren de conferentie “Toekomst Onderwijs aan Doven en Slechthorenden” plaats. Deze werd afgesloten met de publicatie van een programma van twaalf wensen voor dat toekomstige onderwijs. VHZ vroeg Roos Wattel, bruggenbouwer tussen doven en slechthorenden en de horende maatschappij, naar haar mening over die wensen.

  • Peter van Veen
page.header_image.alt

Foto: Max Vonk

De meeste doofgeboren kinderen krijgen al snel een CI en veel van hen gaan naar het reguliere onderwijs in plaats van het speciaal onderwijs. Wat vind je van deze ontwikkeling?

“Ik vind dat er vanaf de geboorte direct te snel en te eenzijdig informatie wordt gegeven aan de kersverse ouders. Vroeger ontdekten ouders vaak na een jaar of nog later dat hun kind doof is. Ze hebben dan al een enorme band opgebouwd met hun kind en zijn hun kind niet direct anders gaan bekijken. Nu wordt na drie dagen een gehoortest gedaan en weet je dus al heel vroeg dat je baby doof of slechthorend is. Dit kan invloed hebben op de band tussen de ouder en het kind, in elk geval beïnvloedt het direct het beeld dat de ouders van hun baby hebben. Iedere ouder wil dat hun kind zo veel mogelijk op henzelf lijkt, dus het is begrijpelijk dat ze de kans om een CI te implanteren direct met beide handen aanpakken. Maar de doktoren geven alleen informatie over het herstellen van het gehoor en geen informatie over gebarentaal en de dovencultuur. Heel vaak moeten ouders dit allemaal zelf zien uit te dokteren. De belangenorganisaties hebben geen directe lijntjes met de kersverse ouders, dus die ouders zijn heel lastig te vinden. Het is dus een gevaarlijke situatie dat er dan direct een misverstand ontstaat door de medische uitleg: ‘Je kind krijgt een CI en daarna kunnen we zijn/haar spraak en gehoor oefenen.’ Het is logisch dat de ouders dan denken, dat is een hulpmiddel, en daarmee kunnen we wel naar het regulier onderwijs. Ze missen de informatie over de sociaal-emotionele ontwikkeling. Het is daarom heel belangrijk om dove en slechthorende rolmodellen in te zetten, zij kunnen vanuit hun eigen ervaringsdeskundigheid waardevolle informatie meegeven aan de horende ouders om hen een compleet beeld te geven van de mogelijke toekomst van hun dove of slechthorende kind. Wat ik een belangrijk aandachtspunt vind is de naamgeving, er wordt vaak nog gesproken van 'CI-kinderen'. Maar die bestaan niet, net zomin als dat er gehoorapparatenkinderen bestaan. Er bestaan alleen dove en slechthorende kinderen, de CI's en hoortoestellen zijn hulpmiddelen. Dat moeten we goed blijven onthouden. Gebarentaal is en blijft de enige taal die honderd procent toegankelijk is voor dove en slechthorende kinderen, en het verschaft ze ook nog eens toegang tot een gemeenschap waar ze altijd zichzelf kunnen zijn. Het is dus eerder een verrijking dan een gevaar om gebarentaal te leren vanaf het allereerste begin. En dat kan het beste op het speciaal onderwijs en in contact met dove en slechthorende rolmodellen.”

Wat hebben deze dove kinderen en jongeren volgens jou nodig om goed te kunnen functioneren in het regulier onderwijs en zich daar goed te kunnen ontwikkelen?

“De basis voor alles is gebarentaal, kennis van de dovencultuur en contact met andere dove en slechthorende kinderen en jongeren. Dus het is belangrijk om die contacten op te zoeken, op welke manier dan ook. Een dove docent NGT of een dove/slechthorende ambulante begeleider op het regulier onderwijs zou ideaal zijn. Wekelijkse NGT-lessen samen met de hele klas, is ook leuk voor de horende klasgenoten, en leerzame lessen in communicatie en teambuilding zoals Maaike Ferf Jentink die geeft met Stille Gym kan enorm bijdragen in begrip en betere communicatie onderling. Een dove/slechthorende leerling in het regulier onderwijs moet het gevoel hebben er niet alleen voor te staan, dus vrijetijdsbesteding in de dovengemeenschap is belangrijk. Zo heeft hij/zij altijd een vangnet om op terug te vallen. Regelmatig activiteiten bezoeken in het dovenclubhuis of een dove oppas thuis helpt daarbij. Dit zijn allemaal elementen om de sociaal-emotionele ontwikkeling in balans te houden. Om de lessen goed te volgen zijn goede voorzieningen belangrijk, dus tolkvoorziening en ondersteunende technische voorzieningen zoals ringleiding, soloapparatuur of digitale lesplatforms met goede toegang tot alle lesstof. Zoals bijvoorbeeld ondertiteling.”

 

Wanneer is volgens jou een dovenschool een betere optie voor dove jongeren dan een reguliere school?

“Ik ben van mening dat voor het basisonderwijs de dovenschool altijd de beste optie is. In het basisonderwijs kun je een goede basis ontwikkelen in de gebarentaal, dovencultuur en dovengemeenschap. Dat kun je het beste onderling samen met andere doven en slechthorenden ontwikkelen. In het regulier onderwijs vanaf je 4e of 5e jaar geeft je geen sterke wortels voor de rest van je leven, naar mijn mening. Het regulier middelbaar onderwijs is een betere optie dan het voortgezet speciaal onderwijs wanneer het dove/slechthorende kind een havo of hoger advies krijgt. Het niveau van het dovenonderwijs schiet volgens mij daar nog steeds te kort en geeft je een onvoldoende basis mee voor je studie en je verdere loopbaan. Ook voor VMBO'ers is het soms beter om het regulier onderwijs te volgen, dat is wat afhankelijk van de persoon zelf. Als de persoon zelf een sterke persoonlijkheid heeft ontwikkeld, genoeg zelfvertrouwen heeft en goede sociale vaardigheden, zal die zich in het regulier middelbaar onderwijs prima redden met goede voorzieningen en goede vrijetijdsbesteding in de dovengemeenschap. De overgang naar de vervolgstudie zal dan een stuk minder groot zijn waardoor er minder kans is op uitval. Wat je nu ziet gebeuren is dat dove jongeren die op het basis- én voortgezet speciaal onderwijs hebben gezeten, grotere moeite hebben met de overstap naar het reguliere MBO of HBO of universiteit, waardoor ze alsnog uitvallen. Je moet er dus ook voor waken dat die overgang goed verloopt.”

 

Het programma van wensen dat is opgesteld naar aanleiding van de conferentie op 18 november over de toekomst van het onderwijs aan doven en slechthorenden stelt: ‘De omgeving biedt het kind voldoende mogelijkheden om zich te ontwikkelen. Het opbouwen van een sociaal leven met zowel dove als horende kinderen zorgt voor een optimale ontwikkeling van de sociale en emotionele vaardigheden.’ Hoe ziet die omgeving eruit zodat het kind zich optimaal kan ontwikkelen?

“Het is belangrijk om aandacht te besteden aan taalontwikkeling en sociaal-emotionele ontwikkeling. Zonder taal heb je geen communicatie. En het is belangrijker dát er wordt gecommuniceerd dan hóe er wordt gecommuniceerd. De communicatie moet dus 100% toegankelijk zijn. Gebarentaal is altijd toegankelijk en de gesproken taal kunnen we lastiger meten bij kinderen. In hoeverre komt de gesproken taal echt over bij jonge kinderen met een CI? Wat snappen ze echt? Ik ben het er mee eens dat het goed is om dove en horende kinderen te mixen. Als een doof kind opgroeit in een omgeving met alleen maar dove kinderen is de overgang naar de maatschappij later een stuk lastiger. Dus ze moeten vanaf jongs af aan al leren dat er verschil is tussen dove kinderen en horende kinderen, dat er verschillende manieren zijn om te communiceren, dat beide communicatiemogelijkheden gelijkwaardig zijn aan elkaar en dat ze beide communicatiemogelijkheden kunnen inzetten. Tweetaligheid is een kracht. Sociale vaardigheden leer je door met anderen om te gaan en dove en horende kinderen en jongeren hebben soms verschillende sociale vaardigheden. Dus het is belangrijk om in beide culturen de ongeschreven regels te leren kennen.

 

De tweede wens is: ‘Beschikbaar inclusief tweetalig onderwijs. Veel ouders wensen een setting waarin kinderen vanaf jonge leeftijd sámen leren en sámen spelen met dove en horende leeftijdsgenoten. Het is het fijnst als dit dicht bij huis kan.’ Hoe kan dit gerealiseerd worden?

“Dat is echt een lastige opgave. Want het is niet anders dan dat dove mensen verspreid door heel Nederland wonen. Op sommige plekken zijn er geen andere dove mensen en dan zal je toch moeten reizen om andere dove leeftijdsgenoten te ontmoeten. Wat er nu al is, concentratie van de dovengemeenschap in bepaalde regio's in Nederland: Groningen, Amsterdam, Brabant, Rotterdam/Den Haag, zouden we eigenlijk moeten behouden. Misschien kunnen daar nog meer regio's aan toegevoegd worden, maar dan worden de groepen wel kleiner. Ik zou pleiten voor tweetalige scholen waar zowel dove als horende kinderen naartoe kunnen, op meerdere locaties in Nederland. Dit biedt kleinschalig onderwijs in gemixte groepen met telkens twee leerkrachten voor de klas: een dove en een horende leerkracht die lesgeven in NGT en het Nederlands. Een dergelijke vorm van onderwijs is er bijvoorbeeld ook op de bilingual school in Namen, België.”

 

Hoe kan de dovengemeenschap betrokken worden bij de ontwikkeling van dove kinderen en hun identiteit?

“Dat is een goede vraag. Dove volwassenen zijn vaak ook druk bezig met hun eigen leven en voelen zich niet altijd betrokken bij de ontwikkeling van de volgende generatie. Het zou wel mogelijk moeten zijn om een organisatie of een club op te richten die hierin tijd investeert, door dove rolmodellen aan te bieden waar horende ouders mee in gesprek kunnen gaan, door activiteiten te organiseren voor dove kinderen waar ze kennis kunnen maken met de dovencultuur en identiteit. Je hebt wel al Stichting Zo Hoort Het, Oorigineel en de kinderclubs in de clubhuizen van Groningen, Amsterdam en Rotterdam. Ook Wat Telt! organiseert af en toe kinderactiviteiten. En niet te vergeten de dovenkampeervakanties, deze activiteiten blijven belangrijk voor de ontwikkeling van dove kinderen.”

 

Op welke manier kan de dovengemeenschap een rol spelen in de ontwikkeling van het dovenonderwijs?

“Sowieso moeten de dove docenten hier nauw bij betrokken worden! Die zijn er genoeg. We horen nog te vaak dat dove docenten in het dovenonderwijs zich niet betrokken voelen op beleidsniveau. Daar moet in de eerste plaats verandering in komen. Deze dove docenten moeten serieus worden genomen en de ruimte krijgen om hun ideeën te geven en input te leveren op het beleid, of nog beter, om zelf beleid te kunnen ontwikkelen. Er mogen in het dovenonderwijs meer dove medewerkers op managementsniveau komen. Daarvoor moet je misschien investeren in bijscholing en verdere opleiding van je dove medewerkers maar dat is volgens mij ontzettend waardevol en verdient zich terug doordat het dovenonderwijs kwalitatief steeds beter zal worden. De kloof tussen horende en dove medewerkers in het dovenonderwijs is nog altijd te groot, die moet eerst kleiner/gedicht worden. Er moet échte samenwerking komen, op gelijkwaardig niveau. Dan voorzie ik goede resultaten voor het dovenonderwijs.”


Een andere wens uit het Programma van wensen is: ‘Door de zoektocht naar de eigen identiteit te ondersteunen, kan de intrinsieke motivatie van een kind worden gevonden. Door rolmodellen en bondgenoten om zich heen te hebben, wordt dit proces versneld.’ Hoe geef je dit concreet vorm?

“Ik denk dat het goed zou zijn om een vaste activiteit of plek te ontwikkelen waar dit gerealiseerd kan worden. Nu heb je alleen het dovenonderwijs, regulier onderwijs en enkele losse vrijetijdsactiviteiten voor dove/slechthorende kinderen. Er zou een soort naschoolse locatie moeten komen (in verschillende regio's) waar dove en slechthorende kinderen naar toe kunnen en waar er deskundige (dove/slechthorende!) professionals werken in samenwerking met dove/slechthorende vrijwilligers om de identiteit te ontwikkelen. Denk aan programma's over dovencultuur, dovengeschiedenis, samen zoeken naar talenten en kwaliteiten. Dus een veel breder aanbod. Ik weet niet hoe het precies is gesteld met het lesaanbod in het dovenonderwijs, maar in mijn tijd lag de focus echt 100% op het leren lezen en spreken. In het regulier onderwijs ligt de focus gewoon op de inhoudelijke vakken en is er geen expertise over de dovenidentiteit aanwezig. Dus ik pleit voor een aparte locatie hiervoor.”

 

Wat hebben dove jongeren nodig om in de maatschappij te kunnen functioneren?

“Zelfvertrouwen, zelfinzicht en zelfkennis. Een goede basis in taal: goede beheersing van zowel de NGT als het Nederlands. Goede sociale vaardigheden: met zowel horende als dove mensen. Kennis van de dovencultuur en kennis van de horendencultuur. Dit vormt de basis voor zelfredzaamheid in de maatschappij. Goede voorzieningen blijven belangrijk. De tolkvoorziening moet geoptimaliseerd worden, denk bijvoorbeeld aan tolkinzet na je dertigste tijdens je studie. Dit is nu nog steeds niet mogelijk. Verder is voldoende tolkinzet op het werk nodig, en niet maximaal 15 procent van je werktijd, zoals nu nog steeds het geval is. Dit zijn allemaal beperkingen die het dove/slechthorende mensen lastig maken om goed te kunnen functioneren in de maatschappij, ook al zijn ze misschien nog zo zelfverzekerd en kunnen ze uitstekend communiceren. Die voorzieningen blijf je nodig hebben om met je doofheid/slechthorendheid in een horende maatschappij te kunnen functioneren. Daar is continue lobby en monitoring voor nodig. Daarvoor hebben we sterke belangenorganisaties nodig die dit in de gaten blijven houden.”

 

Roos Wattel heeft samen met haar zus Martine Wattel de organisatie Wat Telt! opgericht, waarmee ze bruggen willen bouwen tussen de maatschappij en dove/slechthorende mensen. 


Het programma van wensen waarover in dit interview gesproken wordt, kunt u hier downloaden.