Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
LHCA lezingen: taal en cognitie
  • Reportage
  • Cognitie
  • Diagnostiek
  • Taal

LHCA lezingen: taal en cognitie

4 december 2018 - Leestijd 5 - 10 minuten

 De relatie tussen taalvaardigheden en cognitieve functies zoals intelligentie en executieve vaardigheden stond op 8 november 2018 op het programma van het nascholingsprogramma van het Language and Hearing Center Amsterdam (LHCA). VHZ-online was bij deze nascholingsmiddag.

  • Marjan Bruins
page.header_image.alt

Cognitive referencing

Cognitive referencing, het bepalen van de (relatieve) achterstand in de taalontwikkeling door een vergelijking te maken met de performale IQ scores van een kind, is één van de middelen om een diagnose TOS te stellen. Al sinds de jaren '90 van de vorige eeuw is de methodiek echter omstreden. Uit diverse onderzoeken blijkt er geen één op één relatie te bestaan tussen uitslagen op taaltesten en op intelligentietesten. De hypothese dat bij een harmonisch profiel (PIQ en taalquotiënt op vrijwel gelijk niveau) door middel van interventies geen significante winst in de taalontwikkeling te behalen is, wordt echter in de praktijk nog steeds gebruikt. Het is daarom nuttig om met ervaringen uit onderzoek en praktijk deze hypothese te blijven toetsen.

Dr. Liesbeth Schlichting verzamelde voor de normering van haar testen data van grote groepen kinderen. Ter gelegenheid van de LHCA-lezing heeft zij deze data opnieuw bestudeerd. 

In 1995 had zij 574 kinderen voor de normering van de Schlichting taaltesten waarvan via de kleuter SON ook het IQ bekend was. De correlatie tussen taalquotiënt en nonverbaal IQ bleek 0,50 te zijn. Volgens Schlichting is er dus geen duidelijke relatie tussen deze factoren bij normaal ontwikkelende kinderen. Schlichting bekeek ook de gegevens uit andere onderzoeken bij TOS-kinderen (Bruinsma, 2015; Botting, 2005). Ook daar bleek de correlatie taal en IQ rond de 0,50 te liggen, bij typisch ontwikkelende kinderen én bij kinderen met een TOS. Uit de diverse gegevens concludeert Schlichting dat er bij ca. 72% van de populatie sprake is van een harmonisch profiel: taal en intelligentietesten hebben vergelijkbare uitkomsten. De andere 28% kinderen hebben óf een hoger taalquotiënt dan het performale IQ of andersom. Net als Dorothy Bishop in 2004 concludeert Schlichting dat het gebruik van de discrepantie tussen IQ en taalquotiënt in de praktijk niet te handhaven is.

De vraag rijst waarom cognitive referencing voor het stellen van een diagnose toch nog gebruikt wordt en dat bij TOS een lage intelligentie wordt uitgesloten. Redenerend vanuit de eerder genoemde hypothese verwacht je bij een harmonisch profiel of bij een lage intelligentie geen therapie-effect. Maar volgens Schlichting is er ook bij kinderen met een IQ onder de 70 therapie-effect te zien (Schlichting & Smeets, 1992). Dus is er volgens haar geen reden om deze groep van therapie uit te sluiten. Een andere mogelijke verklaring voor het therapie-effect is dat bij deze kinderen vóór de behandeling tijdens het onderzoek sprake was van onderstimulatie.

Maar, stelde Schlichting, als je IQ niet als vergelijking kunt gebruiken, hoe moet je dan beslissen bij een kind met een taalachterstand of er sprake is van een taalstoornis of niet? Schlichting suggereerde categorisatie van kinderen op basis van gevoeligheid voor een bepaalde therapie. Tevens opteerde ze voor diagnostiek door middel van het vaststellen van hardnekkigheid van de problematiek, bijvoorbeeld als bij een taalachterstand logopedie wordt gegeven. Bestaan de problemen na een half jaar logopedie nog steeds, dan is er sprake van hardnekkigheid, wat een belangrijke aanwijzing is voor een TOS.

Foto: Pan Xiaozhen

Cognitie en taal bij slechthorende en dove kinderen

Dr. Margreet Langereis van de Radboud Universiteit liet zien dat dove en slechthorende kinderen onder de norm van horende kinderen scoren op executieve functie testen. Zij vond juist een hoge correlatie tussen taalmaten en maten van executieve functies. Dit in tegenstelling tot de bevindingen van Schlichting met betrekking tot de intelligentie, waar de correlatie niet te vinden was. Het werkgeheugen en het vermogen tot inhibitie (je eigen gedrag remmen) vallen op door hun rol in de ontwikkeling van de taalvaardigheid. De kwaliteit van de executieve functies heeft ook invloed op schoolresultaten.

Het verbale werkgeheugen heeft twee aspecten: het proces en de opslag. In een onderzoek van Brigitte de Hoog leek bij CI-geïmplanteerde kinderen met een taalprobleem vooral de opslag een probleem te vormen. Dit kwam onder andere tot uiting bij het nazeggen van nonsenswoorden. Dit is een lastige taak voor kinderen met TOS maar ook voor dove kinderen met CI. Op het voorwaarts cijfers herhalen (opslag) presteerden kinderen met een CI zwak. Het achterwaarts herhalen, waarbij er meer van de proceskant gevergd wordt, bleek daarentegen relatief makkelijker voor kinderen met CI.

Merle Boerrigter, promovenda, bevestigde de werkgeheugenproblemen vanuit ander onderzoek. Hier bleken meer kinderen met CI ondergemiddeld te scoren op het verbale kortetermijngeheugen dan kinderen met hoortoestellen Ten opzichte van goedhorenden presteren beide groepen minder. Dit bevestigt de bevindingen van de Hoog. De veronderstelling is dat zwakke fonologische vaardigheden van de slechthorende en dove kinderen hieraan ten grondslag kunnen liggen. Het genoemde onderzoek naar ‘De keuze van het juiste hulpmiddel: hoortoestellen of CI?’ wordt uitgevoerd door de Radboud Universiteit samen met de Pento audiologische centra (dr. Anneke Vermeulen). In dit onderzoek zijn 27 kinderen met hoortoestellen opgenomen en 43 kinderen met CI. Er is bij de kinderen sprake van een gemiddelde intelligentie gemeten met een nonverbale test (CI: 103 [SD12.0], Htst 103 [SD15,7]). De verdeling jongens/meisjes is vrijwel gelijk.

Literatuuroverzicht
  1. Schlichting & K.Smeets, L. (1992); Taalontwikkeling en taaltherapie bij kinderen met een verstandelijke handicap; in Stem-, spraak- en taalpathologie. Vol1, no. 4
  2. Botting, N. (2005); Non-verbal cognitive development and language impairment; in Journal of Child Psychology and Psychiatry, March; 46(3)
  3. Bruinsma, Esther van Niel e.a., G. (2015); Logopedie bij oudere kinderen: inhoud en vorm van de behandeling van kinderen met een specifieke taalontwikkelingsstoornis in de leeftijd van 8 tot 12 jaar; in Logopedie, Vol.87, no 7-8
  4. De Hoog, B. (2017); Spoken language development in children with cochlear implants; dissertatie Radboud Universiteit
  5. Bishop, D. (2004); Specific Language Impairment: Diagnostic Dilemmas; in Classification of Developmental Language Disorders: Theoretical issues and Clinical implications.