Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
Interactief voorlezen met dove en slechthorende peuters
  • Artikel
  • Doof
  • Lezen
  • Peuters / Kleuters
  • Slechthorend

Interactief voorlezen met dove en slechthorende peuters

10 oktober 2015 - Leestijd 15 - 25 minuten

Voor alle jonge kinderen is het belangrijk dat ze worden voorgelezen. Met name bij dove en slechthorende kinderen kunnen ouders hiermee bijdragen aan de taalontwikkeling. Daarbij is het van belang dat ze dit op een goede, interactieve manier doen. Dat kan met traditionele prentenboeken, maar ook met digitale versies op de iPad.

  • Loes Wauters
  • Evelien Dirks
  • Joke Hoek-Vos
page.header_image.alt

Inleiding

Uit onderzoek van de Stichting Lezen (2013) bleek dat ongeveer de helft van de Nederlanders wel eens aan iemand voorleest. De meesten van hen vinden voorlezen leuk (91%) en nuttig (96%). Van de mensen die niet voorlezen vindt 75% het wel nuttig.

Over de frequentie van voorlezen aan dove of slechthorende (DSH) kinderen is weinig bekend, maar het lijkt er op dat horende ouders van dove kinderen minder voorlezen. Toch is het ook voor deze kinderen van belang dat ze worden voorgelezen. We weten namelijk uit onderzoek bij horende kinderen dat voorlezen een positief effect op de taalontwikkeling, leesontwikkeling en sociaal-emotionele ontwikkeling (Mol, Bus, de Jong, & Smeets, 2008).

Voorlezen bevordert de taalontwikkeling van kinderen doordat ze in aanraking komen met andere begrippen en meer complexe taal dan ze in de dagelijkse communicatie tegenkomen (Fletcher & Reese, 2005). Hierdoor nemen de woordenschat, het taalbegrip en het verhaalbegrip toe, drie aspecten van de fase van ontluikende geletterdheid. In deze eerste fase van het leren lezen leren kinderen de basisprincipes van taal en maken ze kennis met de geschreven taal (Wauters e.a., 2008). Regelmatig voorlezen heeft een positief effect op die ontluikende geletterd­heid. De woorden­schat groeit, kinderen leren dat je via geschreven taal een boodschap over kunt brengen, ze leren de structuur van verhalen kennen en ze vergroten hun letterkennis. Deze vaardigheden hebben kinderen nodig om zelf te leren lezen. Daarnaast is het plezier dat voorlezen met zich meebrengt belangrijk voor de motivatie om zelf te gaan lezen.

Naast de effecten van voorlezen op de taal- en leesontwikkeling, maken kinderen via boeken kennis met allerlei sociale situaties en de emoties en gevoelens die daarmee samenhangen. Voorlezen geeft de gelegen­heid om met kinderen te praten over die situaties en bij­behorende gevoelens. Ook leren kinderen zich in te leven in anderen doordat ze meeleven met de figuren in het verhaal. Daarbij maken ze kennis met de verschillende perspectieven van de figuren; ze leren dat de figuren in het boek verschillende ideeën, wensen en gevoelens kunnen hebben. De ervaringen die kinderen opdoen via boeken leidt tot verdieping van concepten, een belangrijke toevoeging voor DSH kinderen die minder kansen hebben tot incidenteel leren. En natuurlijk is voorlezen een leuke activiteit om de ouder-kind interactie te stimuleren.

Omdat DSH kinderen een verhoogd risico lopen op het ontwikkelen van leesproblemen (Wauters e.a., 2008) is het van belang om bij hen zo vroeg mogelijk aandacht te besteden aan de ontwikkeling van de ontluikende geletterd­heid. Voorlezen is bij uitstek een activiteit waarbij ouders aan die ontwikkeling kunnen bijdragen. Daarbij is het niet alleen van belang dat ouders vaak aan hun kind voorlezen, maar ook dat ze dit op een goede manier doen.

Interactief voorlezen

Kinderen profiteren het meest van voorlezen als dit op een inter­actieve manier gebeurt waarbij ze actief betrokken worden bij het vertellen van het verhaal (Mol e.a., 2008). Een kind kan actief betrokken worden door het stellen van open vragen, het verhaal te relateren aan persoonlijke ervaringen, gesprekjes te voeren over het boek en het kind het boek te laten vasthouden en de bladzijdes te laten omslaan. Dit zogenaamde interactief voorlezen vraagt van ouders om samen met hun kind in plaats van aan hun kind voor te lezen. Wanneer jonge kinderen op deze interactieve manier worden voorgelezen vergroot dat hun begrip van het verhaal, de woorden­schat, vertelvaardig­heden en de kennis over geschreven taal  (DeBruin-Parecki, 2007). Met deze voorlees­ervaringen zijn kinderen beter voorbereid op de start in het basisonderwijs (DesJardin e.a., 2014). Interactief voorlezen is echter niet iets dat ouders uit zichzelf doen. Veel ouders zijn geneigd om een leidende rol op zich te nemen tijdens het voorlezen en de letterlijke  tekst van het boek aan te houden, wat weinig ruimte voor interactie biedt. Wanneer ouders getraind worden in vaardigheden omtrent interactief voorlezen, bijvoorbeeld door het volgen van een cursus, blijken ze zich deze vaardigheden wel eigen te maken (Huebner & Meltzoff, 2005).

Jonge vrouw met voorleesboek en twee peuters
Foto: Ben Vulkers

Interactief voorlezen met dove en slechthorende kinderen

Interactief voorlezen met DSH kinderen is vaak een uitdaging voor ouders. De manier waarop ze gaan zitten is al een aandachtspunt; op schoot kan heel gezellig en knus zijn, maar is minder handig om goed oogcontact te kunnen maken. Ook het vasthouden van de aandacht van het kind, het gebruik van gebaren tijdens het lezen en het in gesprek gaan met het kind vraagt om specifieke interactie­vaardigheden. Ouders van DSH kinderen blijken meer gericht te zijn op de tekst dan dat zij hun kind betrekken in een gesprek over het boek; ook stellen ze vaker gesloten vragen dan open vragen (DesJardin e.a., 2014). Onderzoek laat zien dat wanneer DSH kinderen op een interactieve manier worden voorgelezen zij een grotere sprong maken in hun woorden­schat­ontwikkeling dan wanneer ouders dit op een minder interactieve manier doen (Fung e.a., 2005).

Interactief voorlezen met DSH kinderen vraagt om specifieke strategieën. Gebaseerd op het voorlees­programma van DeBruin-Parecki (2007) en inzichten vanuit wetenschappelijk onderzoek bij DSH kinderen hebben wij vuistregels voor het interactief voorlezen met DSH kinderen geformuleerd (zie Tabel 1). Deze vuistregels hebben we opgesteld, omdat we juist bij het voorlezen met DSH leerlingen moeten zorgen voor betrokkenheid van het kind door bijvoorbeeld het kind te volgen, tijd te geven, in te gaan op de ideeën van het kind en gebruik te maken van materialen. Het gebruik van materiaal vergroot de betrokkenheid van DSH kinderen bij het voorlezen (Pataki e.a., 2014). Omdat DSH kinderen de communicatie niet vanzelfsprekend kunnen volgen, verdienen deze vuistregels bij hen nadrukkelijk aandacht zodat zij op een zelfde wijze kunnen profiteren van voorlees­momenten als hun horende leeftijdgenoten. Op basis van deze vuistregels en een eerder ontwikkelde cursus door Pento en de NSDSK is een cursus interactief voorlezen voor DSH kinderen in de leeftijd van twee tot en met vier jaar ontwikkeld.

Tabel 1. Vuistregels voor het interactief voorlezen met DSH kinderen.

Sluit

Cursus Interactief Voorlezen

Binnen het hier beschreven project hebben ouders bovengenoemde cursus interactief  voorlezen gevolgd. In deze cursus worden ouders getraind in het interactief voorlezen aan de hand van vijf stappen. De eerste stap betreft het voorbereiden; als ouders een boek met hun kind gaan lezen is het aan te bevelen dat zij het boek van te voren al een keer bekeken hebben. Hierdoor kennen zij de inhoud van het boek, kunnen ze materiaal bij het boek zoeken en nadenken over de gebaren die ze erbij willen gebruiken en de manier waarop ze het boek willen introduceren.

De tweede stap betreft de introductie van het boek; een boek kan geïntroduceerd worden aan de hand van de kaft. Op de kaft staat vaak de hoofdpersoon en het thema van het boek. Een kind krijgt hierdoor al een idee over de inhoud, een ‘kapstok’ die helpt bij de begripsvorming. Een boek kan ook geïntroduceerd worden aan de hand van een eerdere ervaring, een liedje of met behulp van materialen.

De derde stap betreft het voorlezen en vertellen; ouders lezen het boek op een interactieve manier met hun kind. Ouders gaan in op de initiatieven van hun kind; de tekst is daarbij minder leidend. Zij stellen open vragen en geven het kind de gelegenheid het boek vast te houden en de bladzijdes om te slaan. Kinderen krijgen een leidende rol tijdens het voorlezen. De ouder volgt het kind.

De vierde stap betreft het (na)praten over het verhaal; samen napraten over het verhaal maakt dat een kind meer over het verhaal en thema begrijpt. Naast het praten kunnen ouder en kind ook een activiteit rondom het thema van het boek ondernemen, bijvoorbeeld een liedje zingen, het verhaal naspelen, knutselen of tekenen.

De vijfde stap betreft het terugkomen op het verhaal of thema; op een later tijdstip terugkomen op het verhaal helpt bij het begrijpen van een verhaal. Het verbindt en verdiept zowel beleving als begrip. Bijvoorbeeld als een kind naar de zee toe gaat en onlangs een boek over de zee en het strand heeft gelezen dan kan een ouder daar op terugkomen. Maar ook het boek nog een keer lezen of een ander boek rondom dat thema lezen is belangrijk voor de taalontwikkeling.

Binnen deze vijf stappen zijn de eerder genoemde vuistregels verwerkt. Ook komen in de cursus aspecten zoals optimale lichtinval, het gebruik van gebaren, lichaamshouding en rolnemen aan bod. Ouders oefenen hiermee tijdens de cursus.

De aandacht vasthouden van DSH kinderen tijdens het lezen is niet altijd makkelijk. Zij moeten immers hun aandacht verdelen tussen het plaatje en de verteller. Ouders wordt dan ook  een aantal aandachtsstrategieën aangereikt, zoals wachten tot het kind de ouder aankijkt, maken van gebaren in het blikveld van het kind, gebaren op het lichaam maken en spelen met stem en geluid. Door op een interactieve manier voor te lezen, door vragen te stellen, het kind de regie te geven wordt de interactie bevorderd en ontstaat er voor het jonge kind een beter evenwicht tussen luisteren en zelf praten/communiceren. Dit komt het vasthouden van de aandacht ten goede. Uiteraard wordt er in de cursus ook stilgestaan bij de keuze van boeken, welk boek is geschikt voor welke leeftijd en welk ontwikkelingsniveau. De interesse van een kind in een bepaald thema is hierin  erg belangrijk.

"Ik laat het boek meer los, laat ook gebeuren wat er gebeurt, volg gewoon het kind in wat het opmerkt"

De cursus bestaat uit drie bijeenkomsten, bij de eerste bijeenkomst krijgen de ouders boeken en bijbehorend spelmateriaal uitgereikt dat zij gedurende de cursus thuis mogen gebruiken. Ook krijgen zij boekenleggers mee; een algemene boekenlegger met daarop de vijf stappen en specifieke boekenleggers waarop de stappen voor een bepaald boek staan uitgewerkt. Op deze specifieke boekenleggers worden suggesties gedaan over het materiaal dat ouders kunnen gebruiken, welke vragen ze kunnen stellen en welke activiteiten ze kunnen doen na het lezen. Er wordt tijdens de cursus actief geoefend met boeken en tijdens de laatste bijeenkomst nemen alle ouders een videofragment mee van een voorleesmoment thuis. Dit fragment wordt met alle ouders bekeken en besproken. De ouders benoemen welke aspecten van interactief voorlezen ze terugzien in de opname en geven elkaar positieve feedback.

 

Jonge vrouw en peuter met voorleesboek
Foto: Ben Vulkers

Effect voorleescursus

We hebben het effect van deze cursus op het voorleesgedrag van ouders onderzocht. In totaal zijn er vijf cursussen gegeven op locaties van Pento, NSDSK en Kentalis. De cursus werd gegeven door logopedisten en gezinsbegeleiders. Ouders van 18 DSH kinderen in de leeftijd van twee tot en met vier jaar namen deel aan de cursus. Na de laatste bijeenkomst kregen de ouders prentenboeken mee naar huis voor een periode van vijf weken. Voorafgaand aan de cursus en vijf weken na het volgen van de cursus zijn er filmopnames gemaakt van een voorleesmoment van ouder en kind. Het voorleesgedrag is bekeken aan de hand van de observatieschaal “Responsive Adult-Child Engagement During Joint Book Reading” (DesJardin e.a., 2014). Deze schaal scoort gedrag van ouders in vier categorieën van het interactief voorlezen: betrokkenheid (bijv. kind betrekken in interactie, begrip monitoren), leesstrategieën (bijv. open vragen stellen, plaatjes aanwijzen), leerkracht technieken (bijv. ingaan op ideeën kind, relateren aan belevingswereld) en interactief voorlezen (bijv. kind volgen, tijd geven). De items op de schaal worden gescoord op een vierpuntsschaal: 0. gedrag wordt niet waargenomen, 1. gedrag komt infrequent voor (<49% van de tijd), 2. gedrag komt soms voor (50-79% van de tijd), 3. gedrag komt vaak voor (80% van de tijd). De opnames zijn gescoord door de twee auteurs van dit artikel.

"Ik heb zelf meer boeken aangeschaft"

Statistische analyses wezen uit dat ouders na het volgen van de cursus significant vaker strategieën voor interactief voorlezen toepasten (hun score op de vaardigheden in observatieschaal is significant gestegen): ze gaven hun kind vaker de tijd om het verhaal te verwerken, controleerden vaker of het kind het verhaal nog begreep, stelden vaker vragen aan hun kind over het boek, reageerden vaker op reacties van hun kind, gingen meer door op ideeën van hun kind en gaven vaker positieve feedback. Er werd geen significante verandering gevonden in het kind laten leiden in de interactie, het kind zelf het boek laten vasthouden en bladzijdes omslaan en in het relateren van persoonlijke ervaringen aan de inhoud van het boek. Zowel voor als na de cursus zagen we dit gedrag weinig. Helaas werd er zowel voor als na de cursus nagenoeg geen gebruik gemaakt van thema-gerelateerd materiaal (zoals bijvoorbeeld dierenfiguren).

Uit de evaluaties van de cursus bleek dat ouders erg positief zijn, ze gaven aan nieuwe vaardigheden te hebben geleerd en zinvolle tips te hebben gekregen die ze thuis toepassen. Het leren van andere ouders werd als prettig en zinvol ervaren.

Vrouw met peuter en iPad
Foto: Frank Maliepaard

Interactief voorlezen met een iPad

In 2013 bleek uit een enquête van de Stichting Mijn Kind Online bij 1100 ouders van 0-7 jarigen dat in 67% van de gezinnen in Nederland een tablet aanwezig was. En dat 54% van de 0- tot 3-jarigen wel eens een tablet gebruikt. Met dat hoge percentage tablets in gezinnen is het van belang om te weten of je ook interactief kunt voorlezen met een tablet. In Amerika wees een enquête onder 462 ouders met een iPad uit dat 72,5% van deze ouders wel eens met hun kind boeken las met de iPad (Vaala & Takeuchi, 2012). Wel gaven deze ouders nog steeds de voorkeur aan het lezen van traditionele prentenboeken met hun kind. Toch zijn er veel digitale prentenboeken op de markt, voor op de computer, maar ook steeds meer voor op tablets.

Onderzoeken naar het effect van digitale prentenboeken richten zich vooral op kinderen die zelfstandig een prentenboek op de computer lezen, maar de meeste onderzoekers geven aan dat ook bij deze digitale boeken interactie tussen ouder en kind een meerwaarde heeft.

"De voorbereiding doe ik nu bewust zodat ik het verhaal goed kan insteken"

Om te onderzoeken of ouders de strategieën die ze in de cursus hebben geleerd ook toepassen bij het interactief voorlezen met een iPad, hebben ze naast het lezen in traditionele prentenboeken ook digitale prentenboeken gelezen. Voor dit deel van het onderzoek is voor vijf traditionele prentenboeken een digitaal prentenboek voor de iPad ontwikkeld (hierna apps genoemd). In bestaande apps wordt onvoldoende recht gedaan aan de hierboven beschreven vuistregels voor het interactief voorlezen met DSH kinderen. Vaak wordt het verhaal voorgelezen waarbij de bladzijden automatisch worden omgeslagen. Soms wordt het verhaal zelfs afgespeeld als een filmpje. Dit nodigt niet uit tot interactie tussen ouder en kind terwijl dat juist belangrijk is voor de taalontwikkeling. Het kind heeft niet de mogelijkheid om zelf het tempo te bepalen en in te gaan op wat hij interessant vindt. Ook kan hij/zij niet leidend zijn, is er minder tijd om dingen te verwerken en heeft de ouder minder mogelijkheid om dingen aan te wijzen, vragen te stellen en in te gaan op de ideeën van het kind. Daarnaast ontbreekt in veel apps de tekst, waardoor kinderen niet leren dat er een relatie is tussen de geschreven taal en het verhaal dat verteld wordt. Ook wordt de kaft van het boek zelden weergegeven, waardoor deze niet gebruikt kan worden als introductie op het verhaal. Tenslotte komen er vaak animaties in de apps voor die eerder afleiden dan dat ze een bijdrage leveren aan het begrip van het verhaal (de Jong & Bus, 2004).

In dit project is voor de volgende vijf prentenboeken een app ontwikkeld: Mama kwijt, Anna is jarig, Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft, Monkie en Kleine muis zoekt en huis. Deze apps voldeden aan de volgende kenmerken:

  • Kaft van het boek in beeld
  • Gebarenfilmpjes voor kernwoorden uit verhaal (maximaal 15 per boek)
  • Mogelijkheid om terug te bladeren
  • Mogelijkheid om zelf de bladzijden om te slaan
  • Geen voorleesoptie
  • Tekst in beeld
  • Zoom effect om aandacht te richten
  • Tips over het interactief voorlezen van het betreffende boek
Foto: Kentalis

Aan dit deel van het onderzoek hebben dezelfde 18 ouders deelgenomen als in het onderzoek naar het effect van de cursus interactief voorlezen. Om te onderzoeken of deze ouders de vaardigheden die ze hebben opgedaan in de cursus interactief voorlezen ook toepassen bij het interactief voorlezen met een iPad hebben ze allemaal vijf weken voorgelezen uit traditionele boeken en vijf weken met de iPad. De traditionele boeken waren: Stoute hond, Anna eet graag fruit, Ik voel een voet, De paraplu en Wil je mijn vriendje zijn. Deze boeken waren qua niveau, thema en hoeveelheid tekst vergelijkbaar met de apps.

Na elke vijf weken werd een opname gemaakt van ouder en kind die een van de boeken of een van de apps lazen. Uit analyses van de opnames bleek dat de ouders bijna alle onderzochte vaardigheden even vaak toepassen bij het lezen van boeken als bij het lezen met de iPad. Bij twee vaardigheden wordt echter een significant verschil gevonden: het aanwijzen van plaatjes en het uitleggen van nieuwe woorden doen ouders minder vaak bij het voorlezen met de iPad.

De gebarenfilmpjes die aan de digitale prentenboeken voor de iPad zijn toegevoegd werden veelvuldig bekeken: in 78% van de filmopnames van voorleesmomenten met de iPad zagen we dat de ouder of het kind gebruik maakte van die gebaren. Daarnaast gaven veel ouders aan dat hun kind de gebarenfilmpjes leuk vond en er nieuwe gebaren van leerde.

Discussie en conclusie

Uit dit onderzoeksproject komt naar voren dat het mogelijk is om ouders van jonge DSH kinderen vaardigheden aan te leren om op een interactieve manier een prentenboek met hun kind te lezen. Ook blijkt uit dit project dat interactief voorlezen net zo goed mogelijk is met een digitaal prentenboek op de iPad als met een traditioneel prentenboek.

Ouders laten hun kind nog weinig leiden

Na het volgen van de cursus interactief voorlezen passen ouders meer technieken van het interactief voorlezen toe. Toch blijft een aantal aspecten nog moeilijk, zoals het kind het boek of iPad vast te laten houden en de bladzijdes om te laten staan. De ouders lazen met de kinderen tijdens de video opnames in geleende boeken of met een geleende iPad; wellicht waren ouders wat voorzichtiger met de materialen omdat het niet hun eigen spullen betrof. Ook zien we dat ouders zowel voor als na de cursus hun kind nog weinig laten leiden in de interactie. Dit komt overeen met bevindingen uit eerdere onderzoeken waaruit blijkt dat horende ouders van DSH kinderen meer leidend zijn in de interactie dan ouders van horende kinderen. Toch zien we wel dat de voorwaarden om een kind de interactie te laten leiden zijn toegenomen na het volgen van de cursus. Ouders geven hun kind meer tijd om het verhaal te verwerken, ze stellen meer open vragen en gaan meer door op de initiatieven van hun kind. Ouders geven zelf ook aan dat ze door het volgen van de cursus hun kind meer zijn gaan volgen en meer ruimte bieden voor initiatieven van hun kind. In de toekomst zou er in de cursus nog meer focus moeten liggen op hoe ouders hun kind meer de leiding kunnen geven, maar ook binnen de vroegbehandeling is dit een belangrijk onderwerp.

In het huidige digitale tijdperk hebben veel mensen een iPad. Vanuit ouders kwam de vraag of je ook met een iPad kan voorlezen en welke apps dan geschikt zouden zijn. De resultaten van dit project laten zien dat je ook met een iPad interactief kunt voorlezen. Daarnaast geven ouders en kinderen aan dat ze zowel het lezen met de iPad als in boeken leuk vinden. Wel geven ouders bij het lezen op de iPad vaker aan dat ze het moeilijk vinden dan bij het lezen in boeken.

Digitale prentenboeken blijken geschikt voor interactief voorlezen

Wij zien de digitale boeken als een aanvulling op de traditionele boeken en niet als alternatief daarvoor. Digitale prentenboeken zijn in dit onderzoek geschikt gebleken voor interactief voorlezen, maar niet alle beschikbare digitale boeken (apps) lenen zich voor lezen met DSH kinderen. De apps die ontwikkeld zijn in het kader van dit project zijn (nog) niet beschikbaar op de markt. Komend jaar zullen we nagaan wat de mogelijkheden zijn om ze beschikbaar te maken voor de doelgroep.

Concluderend kunnen we zeggen dat het zinvol is om ouders strategieën voor interactief voorlezen aan te leren. Voorlezen heeft een groot effect op de taalontwikkeling van kinderen, voornamelijk als dit op een interactieve manier gebeurt. Daarom is het belangrijk dat de cursus interactief voorlezen een vast onderdeel wordt binnen de vroegbehandeling. In de cursus kan ook aandacht besteed worden aan de kenmerken van digitale prentenboeken die van belang zijn bij het lezen met DSH kinderen.

Literatuuroverzicht

  1. De Jong, M. T., & Bus, A. G. (2004). The efficacy of electronic books in fostering kindergarten children’s emergent story understanding. Reading Research Quarterly, 39(4), 378-393.
  2. DeBruin-Parecki, A. (2007). Let’s read together: Improving literacy outcomes with the adult/child interactive reading inventory. Baltimore, MD: Brookes.
  3. DesJardin, J. L., Doll, E. R., Stika, C. J., Eisenberg, L. S., Johnson, K. J., Ganguly, D. H., & Henning, S. C. (2014). Parental support for language development during joint book reading for young children with hearing loss. Communication Disorders Quarterly, 35(3), 167-181.
  4. Fletcher, K. L., & Reese, E. (2005). Picture book reading with young children: A conceptual framework. Developmental Review, 25, 64-103.
  5. Fung, P., Chow, B. W., & McBride-Chang, C. (2005). The impact of a dialogic reading program on deaf and hard-of-hearing kindergarten and early primary school-aged students in Hong Kong. Journal of Deaf Studies and Deaf Education, 10, 82-95.
  6. Huebner, C. E., & Meltzoff, A. N. (2005). Intervention to change parent-child reading style: A comparison of instructional methods. Journal of Applied Developmental Psychology, 26(3), 296-313.
  7. Mol, S. E., Bus, A. G., de Jong, M. T., & Smeets, D. J. (2008). Added value of dialogic parent–child book readings: A meta-analysis. Early Education and Development, 19(1), 7-26.
  8. Pataki, K. W., Metz, A. E., & Pakulski, L. (2014). The effect of thematically related play on engagement in storybook reading in children with hearing loss. Journal of Early Childhood Literacy,14(2), 240-264.
  9. Stichting Lezen (2013). Onderzoek naar voorlezen. Gedownload van http://jaarvanhetvoorlezen.nl/2013/03/onderzoek-naar-voorlezen/ (april 2015).
  10. Stichting Mijn Kind Online. (2013). Ienemiene media: een onderzoek naar mediagebruik door kleine kinderen, van 0 t/m 7 jaar. mediawijzer.net .
  11. Vaala, S., & Takeuchi, L. (2012). Parent co-reading survey: Co-reading with children on iPads: Parents’ perceptions and practices. New York: The Joan Ganz Cooney Center.
  12. Wauters, L., de Klerk, A., van der Eijk, A., & Knoors, H. (2008). Lezen bij dove en slechthorende leerlingen: Naar goede praktijken voor het leesonderwijs. Nijmegen: Pontem.

Het project dat is beschreven in dit artikel is mede mogelijk gemaakt door de Programmaraad Verbindend Vernieuwen. Momenteel wordt in samenwerking met de FODOK een flyer over interactief voorlezen voorbereid.

 

Over de auteurs

Loes Wauters is senior onderzoeker bij de Kentalis Academie. Haar projecten richten zich op lezen, interactief voorlezen, rekenen en taal bij dove en slechthorende leerlingen. Ze is tevens voorzitter van de expertisegroep Sprong Vooruit.

Evelien Dirks is senior onderzoeker bij NSDSK. Haar projecten richten zich op de ontwikkeling van jonge kinderen met een gehoorverlies. Ze heeft onderzoeken uitgevoerd over sociaal-emotionele ontwikkeling, ouder-kind interactie en interactief voorlezen.

Joke Hoek-Vos is logopedist/gezinsbegeleider, teamleider en instellingsopleider Video Home Training bij Pento Vroegbehandeling.  Ze werkt met jonge kinderen met een gehoorverlies en hun ouders en is als projectmedewerker betrokken bij de ontwikkeling van producten voor deze doelgroep.