Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
Dorothy Bishop: "Interventiestudies zijn hard nodig"
  • Interview
  • Effectiviteit
  • Interventie
  • TOS

Dorothy Bishop: "Interventiestudies zijn hard nodig"

12 december 2015 - Leestijd 5 - 8 minuten

Professor Dorothy Bishop is een expert op het gebied van taalstoornissen bij kinderen. Zij heeft meer dan 300 publicaties op haar naam staan op het gebied van psychologie, neurowetenschappen en genetica bij kinderen met taal- en ontwikkelingsstoornissen. De vraag, waarom het voor sommige kinderen zo moeilijk is om hun moedertaal te leren staat centraal in haar werk. Tijdens haar bezoek begin oktober aan Nederland voor een Donders Lecture in Nijmegen sprak VHZ met haar.

  • Rob Zwitserlood
  • Juliane Cuperus

RALLI

Dorothy Bishop is één van de mede-oprichters van RALLI, een video-campagne om taalstoornissen meer bekendheid te geven bij het brede publiek. Bishop: “RALLI staat voor Raising Awareness for Language Learning Impairments. Taalstoornissen bij kinderen zijn een vaak voorkomende aandoening en komen ook veel vaker voor dan bijvoorbeeld autisme. Toch is autisme beter bekend onder het brede publiek. We voelden de noodzaak om taalstoornissen en de impact die taalstoornissen hebben op de ontwikkeling van een kind onder de aandacht te brengen. En niet met zware wetenschappelijk artikelen maar door middel van eenvoudige en toegankelijke evidence-based informatie. Hiervoor zijn we drie jaar geleden met een YouTube kanaal gestart. Hier geven kinderen met een taalstoornis en professionals uit onderwijs en zorg in korte filmfragmenten uitleg over taalstoornissen, over de noodzaak van logopedische therapie en school-interventies.” Op de vraag of RALLI taalstoornissen inderdaad onder een breder publiek bekend heeft gemaakt, zegt Bishop “RALLI heeft zeker bijgedragen aan een bredere bekendheid van taalstoornissen. Het kunnen labelen van de aandoening is een eerste stap. Een label kan voor ouders erkenning geven; dat hun kind een taalstoornis heeft wil niet zeggen dat zij slechte opvoeders zijn.”

Meer geld nodig voor wetenschappelijk onderzoek

Meer bekendheid van taalstoornissen door de RALLI-campagne kan een positieve impuls geven aan het werven van geld voor wetenschappelijk onderzoek. Bishop: “Ik heb er geen zicht op of RALLI ons daarbij geholpen heeft. Wat ons in ieder geval niet helpt is dat er in het Engelstalige gebied geen eenduidigheid is in terminologie (SLI, late talkers, taalstoornis, taalontwikkelings­stoornis, spraak- en taalstoornis etc). Daarnaast definiëren we de aandoening op basis van exclusiecriteria, door andere stoornissen uit te sluiten. Er is bijvoorbeeld geen sprake van een beperking in gehoor, cognitie of van een neurologisch/medische aandoening. Voor wetenschappelijk onderzoek vindt men het nodig om kinderen in duidelijk af te bakenen categorieën in te delen. We wekken hiermee de suggestie dat de neurobiologische ontwikkelings­stoornissen (zoals communicatiestoornissen, autisme en ADHD) goed van elkaar te onderscheiden zijn. De realiteit is echter dat er veel overlap is tussen bovenstaande beelden. Ik vraag me dus af of dit wel de weg is die we moeten bewandelen.” 

Prof. Bischop

Onderzoek naar het effect van interventies

Onderzoeksmiddelen zijn ook in het Verenigd Koninkrijk schaars. Bishop: “In mijn ogen hebben de relevante vragen voor de komende jaren betrekking op interventies. Wie profiteren er van de geboden interventie? Wat verandert er als gevolg van de interventie? Daar zou je wetenschappelijk onderzoek op moeten richten. En kies interventies die zich richten op het domein waar de problemen zich voordoen. Onderzoek het effect van de interventie bij kinderen die daadwerkelijk problemen hebben op dat domein.”

Executieve functies

Onderzoek bij kinderen met TOS laat zien dat er niet alleen beperkingen zijn in de taal maar ook in andere cognitieve functies. Het werkgeheugen lijkt een belangrijke factor te zijn. Er zijn inmiddels meerdere programma’s en interventies op de markt die deze cognitieve functie trainen. Zijn dit zinvolle interventies om te onderzoeken? Bishop: “Werkgeheugenproblemen bij kinderen met TOS zijn aantoonbaar. Het probleem dat ik zie bij de werkgeheugentrainingen is dat de kinderen wel beter worden in de getrainde taken, maar dat ze niet beter worden in de niet getrainde taken en dat een positieve invloed op het taalleren nog onvoldoende is aangetoond. Hier moet meer onderzoek naar worden gedaan.” Bishop pleit voor methodologisch goed opgezette grootschalige interventiestudies. Ze doelt daarbij op RCT’s, gerandomiseerde onderzoeken met een controlegroep waarbij de interventiegroep wel behandeld wordt en de controlegroep niet. In Nederland wordt zo’n onderzoek onethisch gevonden en is het lastig om er toestemming voor te krijgen. “Onzin!” zegt Bishop, “kinderen onnodig behandelen of een niet-werkzame behandeling geven is net zo onethisch en bovendien een enorme geldverspilling.”

prof. Bishop

Evidence based handelen

We vragen Dorothy Bishop of ouders en kinderen profijt zullen hebben van uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek. Bishop: “Het blijft voor ouders (en professionals) moeilijk om het kaf van het koren te scheiden wanneer je op zoek bent naar een passende therapie. Er bestaan bijvoorbeeld behandelmethodes die op basis van slecht uitgevoerde wetenschappelijke studies onterecht claimen de oplossing te zijn voor dyslexie. Ouders moeten daarom ondersteund worden bij het maken van een zinvolle keuze. Dan heb je andere kanalen nodig dan wetenschappelijke tijdschriften. De sociale media geven mij de mogelijkheid om direct met mijn lezerspubliek contact te hebben. Ik heb hier in 2012 een eerste blog over geschreven; welke vragen je moet stellen om te beoordelen of iets een bewezen effectieve interventie is of niet. Het gaat over het herkennen van de ‘rode vlaggen’.”

Ook bij taalstimulering in de klas zullen we voor kinderen met TOS meer gebruik moeten maken van resultaten van wetenschappelijk onderzoek vindt Bishop: “Wanneer we kijken naar de huidige trainingsprogramma’s zijn we gewend om de lessen leuk te maken met veel verschillende manieren van presenteren, werkvormen enzovoort. Door het aanbrengen van variatie houden we de kinderen actief en betrokken. Voor kinderen met TOS zou dat wel eens minder effectief kunnen zijn. Naar mijn idee moeten we juist minder variatie aanbrengen en meer gaan insteken op het ‘rijtjes stampen’, veel herhaling (met visuele ondersteuning) en pas door naar het volgende wanneer de stof stevig is verankerd.” Eén van haar recentere onderzoeksprojecten richt zich op deze hypothese dat problemen in de taalverwerving samenhangen met problemen in het procedureel leren. Alvorens we genoeg overtuigend bewijs hebben om deze theoretische inzichten te vertalen naar het dagelijks professioneel handelen is een goed opgezette gecontroleerde studie een noodzakelijke volgende stap.

Dorothy Bishop is hoogleraar ontwikkelings­neuropsychologie aan de University of Oxford. Zij is onder meer hoofd van de research group Oxford Study of Children's Communication Impairments (OSCCI). U kunt Dorothy Bishop volgen op Twitter (@deevybee) en Blogspot (deevybee.blogspot.com).