Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
Differentiaaldiagnostiek: de juiste diagnose en behandeling
  • Reportage
  • Behandeling
  • Diagnostiek
  • TOS

Differentiaaldiagnostiek: de juiste diagnose en behandeling

10 februari 2018 - Leestijd 10 - 15 minuten

Zaterdag 20 januari 2018 vond in de openbare bibliotheek Amsterdam (OBA) het WAP-symposium Verschillend Taalvaardig plaats. Het was een extra feestelijke dag, omdat het WAP haar 35e verjaardag vierde. In vier parallelle sessies werd aandacht besteed aan het in kaart brengen van verschillen in taalvaardigheid (diagnostiek) en hoe in te spelen op deze verschillen (didactiek/behandeling). In deze bijdrage staat het thema differentiaaldiagnostiek centraal. We richten ons op de praktische, maar prangende vraag: welke tools en/of taalvaardigheden kun je gebruiken om te differentiëren tussen een taalontwikkelingsstoornis (TOS) enerzijds en een normale ontwikkeling, taalachterstand door meertaligheid, autisme spectrum stoornis (ASS) en dyslexie anderzijds?

  • Linda van den Oever
  • Imme Lammertink
page.header_image.alt

Foto: Evelien Hogers fotografie

Samenvatting

De wetenschap en de praktijk lijken elkaar op het gebied van differentiaaldiagnose gevonden te hebben. Ondanks dat het stellen van de juiste diagnose een uitdaging blijft, is het goed om te zien dat er taalvaardigheden zijn die als aanknopingspunt kunnen dienen bij het in kaart brengen van verschillen tussen TOS enerzijds en een normale ontwikkeling, taalachterstand door meertaligheid, ASS en dyslexie anderzijds. Uit de lezingen kwam ook naar voren dat het belangrijk is om altijd multidisciplinair aan de slag te gaan om de juiste diagnose te kunnen stellen. Een goede diagnose is belangrijk om vervolgens in te spelen op de verschillen en het kind een passende behandeling of passend onderwijs te geven.

Alle presentaties zijn ook te vinden op de website van het WAP.

Els de Jong (NSDSK)
Foto: Evelien Hogers fotografie

Els de Jong (NSDSK)

Normale taalontwikkeling of TOS – Els de Jong (NSDSK)

Els de Jong benadrukt aan het begin van haar lezing hoe belangrijk vroege signalering van een TOS is. Bij deze vroege signalering speelt de jeugdgezondheidszorg (JGZ) een belangrijke rol. Binnen de JGZ wordt er op dit moment met twee verschillende taalsignaleringsinstrumenten gewerkt: 1) Het Van Wiechenonderzoek en 2) het VTO-taalsignaleringsinstrument, waarbij De Jong het meest positief is over de laatste methode. Het VTO-taalsignaleringsinstrument is uitgebreider dan het Van Wiechenonderzoek, omdat het bijvoorbeeld ook de interactie tussen ouder en kind in kaart brengt. Ook blijkt dat taalproblemen gemiddeld een jaar eerder opgespoord worden wanneer het VTO-instrument in plaats van het van Wiechenonderzoek gebruikt wordt (Stephane e.a. 2015).

Maar hoe differentieer je dan?

Een belangrijk punt voor differentiaaldiagnostiek is het in kaart brengen van de algemene taalleerbaarheid (onafhankelijk van een specifieke taal) van kinderen. Dit speelt vooral een rol bij langdurig zieke kinderen en meertalige kinderen, omdat de taalproblemen in deze gevallen veroorzaakt kunnen worden door stress of door een verminderd taalaanbod en dus afhankelijk kunnen zijn van het moment van testafname. Wanneer je in deze situaties wil weten of de taalproblemen veroorzaakt worden door stress of een verminderd taalaanbod, dan is het verstandig om kinderen op meerdere momenten logopedisch te testen. Bij meertalige kinderen geldt dat zij maar één keer in de moedertaal of met hulp van een tolk getest hoeven te worden. De taalleerbaarheid kan vervolgens voor het Nederlands vastgesteld worden.

Meer weten over JGZ en taalontwikkeling?

In 2018 komt de JGZ met nieuwe richtlijnen voor taalontwikkeling: volg de ontwikkelingen hier.

Elma Blom (Universiteit Utrecht)
Foto: Evelien Hogers fotografie

Elma Blom (Universiteit Utrecht)

Taalachterstand door meertaligheid of TOS

In de huidige maatschappij heeft circa 26% van de kinderen in het basisonderwijs een migratieachtergrond en groeit dus meertalig op. Als een meertalig kind een achterstand heeft in het Nederlands, is het belangrijk om vast te stellen of er sprake is van een TOS (algeheel taalprobleem) of een achterstand in het Nederlands als tweede taal. Zowel de keynote-lezing van Elma Blom als de lezing over Speakaboo van Mirjam Blumenthal sluiten aan op dit thema.

Taalachterstand door meertaligheid of TOS –Elma Blom (Universiteit Utrecht)

Elma Blom beschrijft in haar lezing Taalontwikkelingsstoornis en meertaligheid: inzichten uit recent onderzoek de resultaten van onder andere het CoDEmBI-project waarop Tessel Boerma afgelopen najaar promoveerde. Blom benadrukt het belang van het in kaart brengen van de overeenkomsten en verschillen tussen kinderen met TOS en meertalige kinderen voor een juiste behandeling (overeenkomsten) en diagnose (verschillen). In haar projecten benadert Blom de overeenkomsten en verschillen op drie niveaus: 1) De woorden en regels van de taal (taalspecifieke eigenschappen); 2) de narratieve vaardigheden en de opslag en verwerking van taal (taalspecifieke eigenschappen en eigenschappen gedeeld tussen talen) en 3) executieve functies (niet-talig). Door vier groepen kinderen op alle niveaus te vergelijken (Meertalig geen TOS; Meertalig TOS; Eentalig geen TOS; Eentalig TOS) zijn de verschillen en overeenkomsten in kaart gebracht. De resultaten zijn interessant: eentalige kinderen met TOS en meertalige kinderen zonder TOS vertonen overeenkomstige problemen in woordenschat, ook scoren beide groepen slechter op morfologie dan eentalige kinderen met een normale taalontwikkeling, met de toevoeging dat eentalige kinderen met TOS op dit gebied wel lager scoren dan tweetalige kinderen zonder TOS. Vertelvaardigheden en verbale verwerking van talige informatie vormen alleen een probleem bij kinderen met TOS en kunnen dus gebruikt worden voor de differentiaaldiagnose (zie ook differentiaaldiagnostiek ASS en TOS). De executieve functies, ten slotte, zijn lang niet altijd onderscheidend, zoals andere onderzoeken ook hebben uitgewezen. Niet alle kinderen met een TOS laten hierin problemen zien en niet alle meertalige kinderen hebben hierbij een voordeel.

Mirjam Blumenthal (Kentalis)
Foto: Evelien Hogers fotografie

Mirjam Blumenthal (Kentalis)

Taalachterstand door meertaligheid of TOS Mirjam Blumenthal (Koninklijke Kentalis)

Eén van de taaldomeinen aan de hand waarvan de taalontwikkeling van een kind in kaart gebracht kan worden, is de fonologie. Bij tweetalige kinderen is het voor de logopedist echter lastig in te schatten in hoeverre het kind de fonologie van de thuistaal beheerst. De logopedist kan bij de ouders navragen wat hun indruk is van de fonologie van het kind in de thuistaal, maar dat is niet voor alle ouders goed te doen. Mirjam Blumenthal en haar team (Koninklijke Kentalis) hebben daarom een applicatie ontwikkeld om op een speelse manier de fonologie in verschillende talen te beoordelen: Speakaboo. Speakaboo bestaat uit verschillende spelletjes waarbij het kind plaatjes moet benoemen. Naast de uitspraak krijgt de logopedist meteen een idee van de actieve woordenschat van het kind in de thuistaal. Na de afname kan de logopedist de uitingen van het kind vergelijken met de uitingen van een moedertaalspreker (ingebouwd in de app). Zo wordt een indruk verkregen van de verwerving van het fonologisch systeem in de thuistaal. Speakaboo kan de logopedist helpen bepalen of er alleen sprake is van problemen in de uitspraak in het Nederlands of van een algemene fonologische stoornis in beide talen, (onderdeel van) een TOS. Speakaboo is geschikt voor kinderen van 2 tot 6 jaar. De app is momenteel beschikbaar voor 9 talen. Voor elke taal is een taalspecifieke woordenlijst ontwikkeld, aangepast aan vroeg geleerde woorden in de betreffende taal. Verder is er aandacht besteed aan het cultuurspecifiek maken van de plaatjes. Een Turks brood bijvoorbeeld, ziet er anders uit dan een Nederlands brood. Er wordt gewerkt aan de ontwikkeling van de app in meer talen.

Ingrid Feiter (Kentalis)
Foto: Evelien Hogers fotografie

Ingrid Feiter (Kentalis)

ASS of TOS – Ingrid Feiter, Juliane Cuperus en Constance Vissers (Koninklijke Kentalis)

In de klinische praktijk is er veel vraag naar testen die onderscheid kunnen maken tussen TOS en ASS. Deze twee neurobiologische stoornissen hebben veelal dezelfde symptomen en komen vaak comorbide voor. Ondanks vele overeenkomsten (zie verder), zijn er duidelijke verschillen tussen beide stoornissen. Kinderen met een TOS laten bijvoorbeeld nooit repeterend of compulsief gedrag zien, terwijl dit kenmerkend is voor ASS. In haar lezing onderscheidt Ingrid Feiter sociale communicatieve taalvaardigheden van pragmatische taalvaardigheden. Het is niet eenvoudig om kinderen met TOS en ASS op basis van communicatieve taalvaardigheden (zoals oogcontact) te differentiëren, omdat beide groepen hier afwijkend gedrag vertonen. Dit was een van de redenen van het Kentalis-onderzoeksteam om naar de verschillen in pragmatische taalvaardigheid tussen kinderen met een normale taalontwikkeling, kinderen met TOS en kinderen met ASS te kijken. Aan de hand van de MAIN (Multilingual Assessment Instrument for Narratives; 3-10 jaar) werden de narratieve vaardigheden van de drie groepen kinderen tussen de 8 en 12 jaar in kaart gebracht. De resultaten lieten zien dat de kinderen met TOS uitvielen op het (na)vertellen van verhalen en bij het omschrijven van de emoties en perceptie van de personen in het verhaal. Er werd geen bewijs gevonden dat de narratieve vaardigheden van kinderen met ASS slechter zijn dan die van kinderen met een normale taalontwikkeling. De resultaten zijn veelbelovend en het lijkt er dus op dat het in kaart brengen van de pragmatische taalvaardigheden kan helpen bij het differentiëren tussen TOS en ASS.

Dyslexie of TOS - Barry de Groot (Rijksuniversiteit Groningen)

Verschillend onderzoek wijst uit dat een TOS in veel gevallen samengaat met ernstige leesproblematiek. In het Dyslexie Plus Project heeft Barry de Groot kinderen met dyslexie, kinderen met TOS en kinderen met dyslexie én TOS tussen 7 en 14 jaar onderzocht. Om technisch te leren lezen zijn fonologische verwerking en visuele aandacht van belang. De Groot heeft gekeken naar de verschillen en overeenkomsten in fonologische verwerking en visuele aandacht tussen kinderen met dyslexie, kinderen met TOS en kinderen met zowel dyslexie als TOS. Het niveau van fonologische verwerking werd door middel van twee taken in kaart gebracht: een taak voor fonemische analysevaardigheid en een taak continu benoemen. De laatste taak, continu benoemen, bleek het beste om te differentiëren tussen kinderen met dyslexie en kinderen met TOS zonder dyslexie. In de continu benoemtaak moesten de kinderen zo snel mogelijk een reeks cijfers of letters benoemen. De kinderen met dyslexie waren significant langzamer in het benoemen dan de kinderen met TOS. Naast fonologische verwerking, onderzocht De Groot in een andere studie welke rol visuele aandacht speelt bij het technisch lezen.

Visuele aandacht werd ook aan de hand van twee taken gemeten: er werd gebruik gemaakt van een taak voor selectieve aandacht en een taak voor aandachtsoriëntatie. De taak selectieve aandacht bleek het beste om te differentiëren tussen kinderen met dyslexie én TOS en kinderen met dyslexie, zonder TOS. Bij deze taak moesten de kinderen letters herkennen binnen een reeks cijfers. De kinderen met dyslexie én TOS waren significant slechter in het richten van de aandacht op de letters dan de kinderen met alleen dyslexie. Het onderzoek van Barry laat dus zien dat met name een taak voor continu benoemen en een taak voor visuele aandacht waardevol zijn om kinderen met dyslexie en TOS te differentiëren.