Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
De kwaliteiten van het Communicatieve Intentie Onderzoek (CIO)
  • Artikel
  • Diagnostiek
  • Kinderen
  • Spraak
  • Taal

De kwaliteiten van het Communicatieve Intentie Onderzoek (CIO)

10 februari 2018 - Leestijd 15 - 20 minuten

Het Communicatieve Intentie Onderzoek (CIO) is een logopedisch instrument waarmee door systematische observatie een indruk wordt verkregen van de neiging tot communiceren bij jonge kinderen. Die communicatieve intentie heeft een duidelijke relatie met de latere taalontwikkeling. Het CIO is een uniek instrument: de eigenschappen die gemeten worden, kunnen niet met enig ander logopedisch instrument worden gemeten. Het is aantrekkelijk vanwege het speelse karakter. In een klinische groep blijkt de CIO-kernscore een redelijk tot goede voorspellende waarde te bezitten ten aanzien van toekomstige taalvaardigheden. De theoretische onderbouwing en de psychometrische kenmerken hebben geleid tot een ‘A’-kwalificatie.  

In dit artikel wordt het CIO nader toegelicht en de theoretische onderbouwing gegeven; een begeleidend artikel gaat in op de praktische toepassing aan de hand van casuïstiek.

  • Henk lutje Spelberg
  • Claartje Slofstra
  • Sjoeke van der Meulen
page.header_image.alt

Foto's: Claartje Slofstra

Bij kinderen die nog (vrijwel) niet spreken op een leeftijd waarop men dat wel zou verwachten, is het van belang te onderzoeken in hoeverre zij communicatieve intentie hebben ontwikkeld. Het Communicatieve Intentie Onderzoek (CIO) kan worden gebruikt om te voorspellen hoe groot de kans is dat de spraaktaal­ontwikkeling toch op gang komt. Het sleutelbegrip hierbij is ‘communicatieve intentie’, de neiging om te willen communiceren, met of zonder taal.

Het CIO is sinds 2013 beschikbaar voor de logopedische diagnostiek. Afgezien van presentaties op congressen, lezingen, cursussen, promotie van de uitgever en natuurlijk de uitgebreide handleiding, is er nog niet veel over het CIO gepubliceerd. 

De COTAN (Commissie Onderzoek Testaangelegenheden Nederland) beoordeling van het CIO heeft geleid tot een ‘A’-kwalificatie. Het instrument heeft een erkend goede waarde.

Handen van een klein kind

Uitgangspunten en beschrijving van het instrument

Het CIO onderzoekt de kwaliteit en het niveau van de ontwikkeling van de communicatieve intentie bij jonge kinderen (1;4 - 2;5 jaar). De ontwikkeling van communicatieve intentie is van fundamenteel belang voor de taalontwikkeling. De theoretische uitgangspunten daarvoor worden in de handleiding (van der Meulen, Slofstra-Bremer & lutje Spelberg, 2013) uitvoerig besproken. Wij vatten ze hier samen in de vorm van enkele stellingen. Deze stellingen vormen de kern van waaruit is gedacht bij de constructie van het CIO. 

Kinderen zijn actief bezig met taalontwikkeling. Zij ontwikkelen taal in interactie met hun omgeving. Dit actieve verwervingsproces verloopt op basis van aanleg waarbij de communicatieve intentie de ‘motor’ is van het proces. Het kind wil iets uitdrukken respectievelijk begrijpen in de interactie met de ander: communicatieve intentie (Tomasello, 2003; Bloom & Tinker, 2003).

Ontwikkeling van communicatieve intentie en taalontwikkeling vindt plaats in interactie met de omgeving. De invloed van de ouders (of andere mensen in de dagelijkse omgeving van het kind) op deze ontwikkeling is van groot belang (Tomasello, 2003).

Communicatieve intentie hangt samen met andere aspecten van ontwikkeling, zoals de contactontwikkeling, spelontwikkeling, de ontwikkeling van gerichte aandacht, van concepten, gedrag. Uitval in een van deze aspecten heeft veelal gevolgen voor de andere (Fröhlich & Haupt, 2004).

De preverbale en verbale fase van de communicatieve ontwikkeling van het kind verschillen in wezen niet van elkaar; het verschil is alleen de vorm waarin het kind zich uit en de uitingsvormen die het kind kan begrijpen (Ninio & Snow, 1996).

Taal bestaat uit een verzameling symbolen, die, op zich zelf of in taalstructuren gecombineerd, betekenissen kunnen overdragen. Een aspect van ontwikkeling dat duidelijk verband houdt met taalontwikkeling, maar niet binnen het begrip communicatieve intentie valt, is het omgaan met symbolen door het kind. Hoe het kind omgaat met symbolen is van belang voor de taalontwikkeling (Bates, Benigni, Bretherton, Camaioni & Volterra, 1979).

COMMUNICATIEVE INTENTIE HANGT SAMEN MET ANDERE ASPECTEN VAN ONTWIKKELING

De items van het CIO zijn ingedeeld in zes subschalen. Vier daarvan betreffen de communicatieve intentie van een kind. Het zijn de schalen Condities (CO), Vormen (VM), Functies (FN) en Communicatieve Regelkennis (CR), waarmee aparte aspecten van communicatieve intentie gemeten worden. Hieruit wordt een combinatiescore afgeleid, die we CIO-Kernscore hebben genoemd om aan te geven dat deze score de communicatieve intentie representeert. 

De vijfde schaal, Matchen en Benoemen (MB) is voor het meten van cognitieve aspecten van communicatieve intentie. Tenslotte is er de schaal Ouderlijke Ondersteuning (OO), waarmee geobserveerd wordt in hoeverre de bij de afname aanwezige ouder het kind ondersteunt bij de communicatie. Zie tabel 1 voor voorbeelden van items uit de zes schalen.

Tabel 1. Voorbeelden van items per subschaal

Sluit

 

De CIO-kernscore en de scores op MB en OO zijn de hoofdscores van het CIO. Daarvan representeert de CIO-kernscore communicatieve intentie in eigenlijke zin, terwijl de andere twee scores aanvullende informatie geven om een verkregen CIO-kernscore te interpreteren. Uiteraard zijn dergelijke interpretaties niet ‘hard’; ze moeten gezien worden als hypotheses.

Het grootste deel van het CIO bestaat uit observatie-items. Anders dan bij een test, zoals een Schlichting-test, wordt de diagnostiek niet gestuurd door de volgorde van de items, maar door de gedragingen van het kind tijdens de spelsessies met het testmateriaal. De logopedist moet goed opletten welk gedragingen een kind laat zien, en weten welke gedragingen corresponderen met items op het scoreformulier. Als een van die gedragingen zich voordoet, wordt het betreffende item gescoord (de logopedist omcirkelt ‘ja’ bij het item). Tijdens de afname wordt getracht de te observeren gedragingen uit te lokken. Het spelmateriaal is specifiek met dit doel gekozen. Als een item niet gezien wordt, wordt er van uitgegaan dat dit gedrag niet tot het repertoire van het kind behoort (bij het item wordt ‘nee’ omcirkeld). Dit principe is ook van toepassing op de observatie van de Ouderlijke Ondersteuning (OO). Er worden aan het kind spelsituaties aangeboden door middel van speelgoedsets die veel interactie uitlokken. Omdat het instrument is gericht op spontane communicatie is er geen instructie aan het kind en zijn er bij de eerste twee speelgoedsets geen taken.

De testkoffer

Het testmateriaal

Er zijn drie sets met materiaal waarmee wordt gewerkt. Set 1 bestaat uit vier verschillende zakken met aantrekkelijk speelgoed, waarmee het kind naar believen mag spelen met de vader, moeder of een andere vertrouwde persoon. Het speelgoed lokt communicatie en interactie uit en is eenvoudig om mee te spelen. Het materiaal is afwisselend en aantrekkelijk voor jonge kinderen (onder andere: een houten huisje met wat dieren en poppetjes; een serviesje). De ouder wordt verzocht met het kind te spelen zoals hij/zij dat thuis ook zou doen. Tijdens het spel met de inhoud van deze vier zakken kan de logopedist ook scoren hoe de ouder het kind ondersteunt in de interactie. Wanneer de logopedist voldoende heeft kunnen zien, kan zij besluiten om niet alle vier zakken te gebruiken, maar bijvoorbeeld na de derde zak over te gaan naar sectie 2. 

Set 2 bestaat eveneens uit vier zakken met speelgoed. Bij deze en de volgende set is de logopedist de speelgenoot van het kind. De ouder blijft aanwezig maar houdt zich op de achtergrond. Bij de tweede set is er steeds iets wat niet klopt of niet werkt (bijvoorbeeld: een van de stapelringen past niet om de stok waaromheen ze gestapeld kunnen worden). Dit is gedaan omdat het kind hierbij sterk tot communicatie wordt uitgelokt. 

De derde set, met twee zakken, is enigszins taakgericht. Aan het kind worden voorwerpen en afbeeldingen van de voorwerpen aangeboden. De logopedist observeert of het kind de voorwerpen spontaan benoemt. Als dit niet gebeurt, benoemt de logopedist zelf met woord en gebaar en kijkt of het kind nazegt of het gebaar imiteert. Tevens wordt het kind uitgelokt (door het steeds eenmaal voor te doen) voorwerpen te matchen: eerst een voorwerp bij een (identiek) tweede voorwerp; dan een afbeelding van dat voorwerp bij het voorwerp en tenslotte twee afbeeldingen van het voorwerp met elkaar. Dit onderdeel van het CIO heeft meer het karakter van een test dan van een observatie. 

De afname van het CIO duurt ongeveer een half uur. Bij het CIO hoort een uitgebreide handleiding waarin de nadruk wordt gelegd op de diagnostiek in de praktijk

Houten huisje, boer en koe uit het spelmateriaal

Scoresysteem en normen

Ruwe scores

De items van de subschalen, behalve OO, worden positief of negatief gescoord. Bij de subschaal OO (Ouderlijke Ondersteuning) krijgen de items een score gebaseerd op het regelmatig, incidenteel of niet voorkomen van het in het item omschreven gedrag.

Normscores

Via normtabellen worden de ruwe scores omgezet in normscores (ook wel ‘standaardscores’ genoemd). Deze normscores zijn zogenaamde Wechslerscores die een bereik hebben van 1 tot en met 19. Veel logopedisten zijn waarschijnlijk meer gewend aan Quotiëntscores, maar het principe is hetzelfde. De Wechslerscore zijn bekend uit de veel gebruikte Wechsler-intelligentie-tests, waar ze de normscores zijn voor de subtests. De reden om ook voor het CIO te kiezen voor Wechslerscores is dat het bereik van deze scores het beste aansluit bij het bereik van de ruwe scores per schaal. Kinderen met een W-score van 4 of lager behoren bij de allerzwaksten qua communicatieve intentie. Met een W-score van 5 à 6 vallen kinderen in de risicogroep. Bij kinderen met een score van 7 of hoger is er geen aanleiding om aan problemen te denken; zij vallen in de categorie ‘gemiddeld of beter’. Bij deze kinderen is de kans groot dat de spraaktaal­ontwikkeling slechts vertraagd is en wel op gang zal komen.

Divers spelmateriaal en illustraties uit de CIO

Betrouwbaarheid en validiteit

Voor de bepaling van de betrouwbaarheid van het CIO zijn de interne consistentie en de inter­beoordelaars­betrouwbaarheid berekend. Aan de hand van de categorieën van de kwaliteit van de betrouwbaarheid volgens COTAN staat hieronder een overzicht van de belangrijkste uitkomsten, met een verwijzing naar een uitgebreidere beschrijving met cijfermatige onderbouwing.

Interne consistentie en de inter­beoordelaars­betrouwbaarheid

De CIO-kernscore en de hoofdscores MB en OO voldeden aan de norm voor een goede interne consistentie. De subschalen voor communicatieve intentie vielen in het bereik van voldoende tot goed.

De inter­beoordelaars­betrouwbaarheid is belangrijk voor testresultaten die via min of meer subjectieve interpretatie tot stand komen. Dit geldt met name voor observatie-items en niet voor MB omdat daarbij de scoring vrij objectief geschiedt. Daarom is deze betrouwbaarheid bepaald voor de subschalen CO, VM, FN en CR, en voor de CIO-kernscore. De CIO-kernscore had een goede inter­beoordelaars­betrouwbaarheid. De resultaten van de subschalen varieerden van onvoldoende voor CO en FN tot voldoende-goed voor VM en CR. Wellicht is meer training gewenst in het scoren van de betreffende subschalen. In elk geval betekent een en ander voor de praktijk dat zeker de interpretatie van de scores op de subschalen FN en CO met de nodige voorzichtigheid moeten worden uitgevoerd. Het is goed de uitkomsten te laten bevestigen door andere, onafhankelijke, informatie.

De drie belangrijke hoofdscores van het CIO (de CIO-kernscore, MB en OO) bleken echter een goede betrouwbaarheid te hebben.

Begripsvaliditeit

Voor de bepaling van de begripsvaliditeit, waarin evidentie wordt gezocht voor de meetpretentie van het CIO (het meten van communicatieve intentie), zijn verschillende berekeningen uitgevoerd. Daaruit blijkt dat er in het CIO drie factoren een rol spelen: (1) de échte communicatieve intentie, (2) cognitieve aspecten (MB) van communicatieve intentie en (3) ouderlijke ondersteuning (OO) bij communicatief gedrag van het kind. Deze drie factoren corresponderen met de drie hoofdscores van het CIO. Dit is een duidelijke aanwijzing dat het CIO inderdaad communicatieve intentie blijkt te meten met daarnaast twee aparte factoren: de scores op MB en OO, welke de testgebruiker informatie geven over klinisch relevante aspecten en waarmee een lage score op communicatieve intentie (CIO-kernscore) mogelijk kan worden verklaard.

Voorspelling later taalniveau

Het voornaamste doel van het CIO is: bij kinderen die om een of andere reden niet testbaar zijn met taaltests, toch op taal gerichte diagnostiek te kunnen uitvoeren. Met het CIO moet daarom voorspeld kunnen worden wat het taalniveau is op een later moment, als een kind wel testbaar is. Dit is onderzocht bij taalgestoorde kinderen (de doelgroep van het CIO) met een eerdere versie van het CIO waarin de schalen MB en OO nog niet voorkwamen. Zie voor details de handleiding van het CIO (pagina 57). Omdat dit onderzoek naar de criteriumvaliditeit met een eerdere versie van het CIO is uitgevoerd, werd dit niet door de COTAN erkend. De auteurs van het CIO achtten het onderzoek wel relevant, omdat hierin dezelfde schalen als in de uiteindelijke versie zijn betrokken.

ER ZIJN GOEDE CORRELATIES MET DE UITSLAG VAN DE SCHLICHTING, REYNELL EN SON

Wat in de resultaten opvalt is dat de correlaties van de CIO-kernscore met de zeven maanden later afgenomen Schlichting Test voor Taalproductie (Schlichting, Van Eldik, Lutje Spelberg, Van der Meulen & Van der Meulen, 1998), de Reynell Test voor Taalbegrip (Van Eldik, Schlichting, Lutje Spelberg, Van der Meulen & Van der Meulen, 1997) en de SON-2½-7 (Tellegen, Winkel & Wijnberg-Williams, 1996) veelal significant en substantieel waren. De hoogste correlaties waren met productieve woordenschat, met taalbegrip en niet-verbale intelligentie.  Hieruit hebben we geconcludeerd dat met de kernscore van het CIO de taalvaardigheid van zeven maanden later redelijk tot goed kan worden voorspeld. Dit is voor de logopedische praktijk een belangrijk gegeven.

Conclusie

Het CIO is een observatie instrument waarmee eigenschappen worden gemeten die niet met een ander logopedisch instrument worden gemeten, namelijk: communicatieve intentie (ingedeeld in de subschalen Condities, Vormen, Functies en Communicatieve Regels), Matchen en Benoemen, en Ouderlijke Ondersteuning. Het CIO is speels van karakter en maakt niettemin een systematische observatie mogelijk, ook bij moeilijk testbare kinderen, waarbij de resultaten kunnen worden uitgedrukt in normscores. Aangetoond is, dat in een klinische groep de CIO-kernscore een redelijk tot goede voorspellende waarde bezit. Dit gegeven betekent bij een W-score van 7 of hoger dat de taalontwikkeling misschien vertraagd is, maar dat er geen aanleiding is voor interventie of nadere diagnostiek. Bij een lagere W-score is nadere diagnostiek of interventie geïndiceerd. De theoretische onderbouwing en de psychometrische kenmerken zijn zodanig dat de COTAN-beoordeling heeft geleid tot een ‘A’-kwalificatie (zie ook WAII, 2005). 

Toepassing in de praktijk

Kinderen laten zien dat zij al vroeg signalen uit hun omgeving begrijpen en leren zich vrijwel tegelijkertijd te uiten. Bij kinderen die niet of nauwelijks spreken, is het nodig na te gaan in hoeverre de communicatieve intentie zich heeft ontwikkeld om van daar uit de latere taalontwikkeling te kunnen voorspellen. In een begeleidend artikel wordt ingegaan in op de praktische toepassing aan de hand van casuïstiek.

 

De inhoud van dit artikel zal binnenkort ook verschijnen in het Nederlands Tijdschrift voor Logopedie

Literatuuroverzicht

  1. Bates, E., Benigni, L., Bretherton, I., Camaioni, L. & Volterra, V. (1979). The emergence of symbols: cognition and communication in infancy. New York: Academic Press.
  2. Bloom, L. & Tinker, E. (2001). The Intentionality Model and Language Acquisition: engagement, effort, and the essential tension in development. Monographs of the society for research in Child Development, Vol. 66, no. 4. Boston: Blackwell.
  3. Eldik, M. van, Schlichting, J.E.P.T., Lutje Spelberg, H.C., Meulen, B.F. van der, Meulen, Sj. van der (1997). Reynell Test voor Taalbegrip (2de druk). Berkhout: Nijmegen.
  4. Evers, A., Lucassen, W., Meijer, R. & Sijtsma, K. (2010). COTAN Beoordelingssysteem voor de kwaliteit van tests. Gewijzigde herdruk. Amsterdam: NIP.
  5. Fröhlich, A.D. & Haupt, U. (2004). Leitfaden zur Förderdiagnostik mit schwerbehinderten Kindern (enth. Diagnose-Leitfaden + Entwicklungsbögen): Eine praktische Anleitung zur pädagogisch-therapeutischen Einschätzung. Dortmund: Verlag Modernes Lernen.
  6. Kort, W., Schittekatte, M., Bosmans, M., Compaan, E.L., Dekker, P.H., Vermeir, G. & Verhaeghe, P. (2005). Wechsler Intelligence Scale for Children-III. Amsterdam: Pearson (Nederlandse bewerking).
  7. Meulen, Sj. van der, Slofstra-Bremer, C.F. & lutje Spelberg. H.C. (2013). Communicatieve Intentie Onderzoek. Handleiding. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
  8. Ninio, A. & Snow, C.E. (1996). Pragmatic development. Essays in developmental science. Harvard: Harvard University, Westview Press.
  9. Resing, W.C.M. et al. (2005) Werkgroep Advisering Instrumentarium Indicatiestelling (WAII). Indicatiestelling speciaal onderwijs en leerlinggebonden financiering: condities en instrumentarium. Amsterdam: Boom test uitgevers.
  10. Schlichting, J.E.P.T., Eldik, M. van, Lutje Spelberg, H.C., Meulen, Sj. van der & Meulen, B.F. van der (1998a). Schlichting Test voor Taalproductie (2de druk). Lisse: Swets Test Publishers.
  11. J.E.T.P. & Lutje Spelberg, H.C. (2002). Lexilijst Nederlands. Een instrument om de taalontwikkeling te onderzoeken bij Nederlandstalige kinderen van 15-27 maanden in het kader van vroegtijdige onderkenning. Lisse: Swets Test Publishers.
  12. Schlichting, J.E.T.P. & lutje Spelberg, H.C. (2002). Lexilijst Nederlands. Een instrument om het taalbegrip te onderzoeken bij kinderen van 15-25 maanden in het kader van de vroegtijdige signalering. Handleiding. Amsterdam: Harcourt test Publishers.
  13. Schlichting, J.E.T.P. & lutje Spelberg, H.C. (2010). Schlichting Test voor Taalproductie-II. Handleiding. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
  14. Slofstra-Bremer, C.F., Meulen, Sj.v.d. & lutje Spelberg H.C. (2006). De Taalstandaard. Amsterdam: Harcourt.
  15. Tomasello, M. (2003) Constructing a language. A usage-based theory of language acquisition. Cambridge, Massachusetts & London, UK: Harvard university press.
  16. Tellegen, P.J., Winkel, M. & Wijnberg-Williams, B. (1996). Snijders-Oomen Niet-verbale intelligentietest SON-R 2½-7. Handleiding. Lisse: Swets & Zeitlinger.

Informatie over de auteurs

H.C. (Henk) lutje Spelberg, psycholoog, was als universitair docent verbonden aan de afdeling Orthopedagogiek, Rijksuniversiteit Groningen. Als onderzoeker heeft hij meegewerkt aan de ontwikkeling van diverse cognitieve tests (zoals de WISC-R en de Bayley ontwikkelingsschalen). Vanaf de negentiger jaren ook aan tests op het gebied van dyslexie en taaldiagnostiek (de Schlichting tests, de Taalstandaard en het CIO). 

Drs. C.F. (Claartje) Slofstra-Bremer, linguïst en logopedist, was docent taalontwikkelings-stoornissen aan de opleiding logopedie Amsterdam, later coördinator Logopedie in het Gemeentelijk Audiologisch Centrum Amsterdam, en vervolgens bij Kentalis werkzaam bij de Taaltrein te Groningen als linguïst en bij Pontem, Nijmegen, als senior onderzoeker.  

Drs. Sj. (Sjoeke) van der Meulen, orthopedagoog en logopedist, was verbonden aan de afdeling Foniatrie van het Academisch Ziekenhuis Utrecht, later aan de afdeling Kind en Communicatie van het Wilhelmina Kinderziekenhuis. Zij ontwikkelde logopedische methoden voor diagnostiek en behandeling.