Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
Binnenlandse tijdschriften juli 2020

Binnenlandse tijdschriften juli 2020

29 juli 2020 - Leestijd 3 - 5 minuten

VHZ-redacteuren  Bernadette Vermeij en Renate van den Berg selecteerden voor u enkele interessante artikelen uit Nederlandstalige vaktijdschriften.

page.header_image.alt

MeerTaal, nummer 2, januari 2020

In MeerTaal vertelt Rianne van Rooijen over haar promotieonderzoek. Zij onderzocht of de stem van de moeder het leren van nieuwe woorden beïnvloed. In het onderzoek leerde een groep 2-jarige peuters nieuwe woorden van hun eigen moeder, terwijl leeftijdsgenoten de woorden kreeg aangeleerd door een onbekende. De kinderen die het woord aangeboden kregen van hun moeder leerden de woorden snel en de andere kinderen leerden de woorden niet. Van Rooijen schrijft dat dit mogelijk komt doordat peuters aan de nieuwe stem moeten wennen voordat ze een nieuwe woord kunnen opslaan. De bevindingen van het onderzoek pleiten voor nauwe betrokkenheid van moeders bij taalonderwijs en behandeling voor kinderen op gebied van taal. Verder onderzoek is nodig om aan te tonen of bijvoorbeeld begeleiding door een vast persoon op school positief bijdraagt aan de taalontwikkeling.

Nederlands Tijdschrift voor Logopedie: juni 2020, nummer 3

In dit nummer een artikel van Margo Zwitserlood-Nijenhuis en collega’s over indirecte taaltherapie met ouders van kinderen met TOS. De auteurs beschrijven het belang van het betrekken van ouders bij de behandeling aan het kind met TOS. Tevens wordt hun onderzoek besproken naar de effectiviteit van indirecte therapie, dat is uitgevoerd op zeven TOS behandelgroepen. Uit dit onderzoek bleek dat zowel de receptieve als expressieve taalontwikkeling van kinderen met TOS door indirecte taaltherapie even goed verbetert als door directe taaltherapie. Dit betekent volgens de auteurs dat ouders en logopedisten kunnen kiezen welke behandelvorm het beste bij het kind en de therapiedoelen past. Ouders die indirecte logopedie hadden gekregen voelden zich zekerder in de interactie met hun kind dan ouders die dit niet hadden gekregen.

Tijdschrift voor Orthopedagogiek: 2020, nummer 2

In 2013 zijn Niek Frans en collega’s gestart met een onderzoek naar de bruikbaarheid van Cito-kleutertoetsen voor het signaleren van taal- en/of rekenproblemen. De twee hoofdvragen binnen dit onderzoek waren: 1) Hoe ervaren leraren het nut van de Cito kleutertoetsen bij hun dagelijkse lesactiviteiten en 2) Wat is de stabiliteit van vroege toetsscores van de Cito LOVS? Middels vragenlijsten en diepte- interviews werd de mening van de leerkracht uitgevraagd. De conclusie die de onderzoekers onder andere trekken is dat de kleutertoetsen een indicatie geven van het niveau van een leerling ten opzichte van de populatie. Echter, de bruikbaarheid voor signalering is te beperkt. De definitie van risicoleerlingen in de handleiding (de 25% laagst scorende leerlingen, een E-score) versterkt het idee dat “ondergemiddeld” gelijk is aan “onvoldoende”. Het gevolg is dat leerkrachten gaan proberen om kinderen uit deze 25% zone te krijgen of te houden, met aanpassingen in het onderwijsaanbod en norminflatie als gevolg.