Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
Alles draait in ons onderwijs om taal!
  • Interview
  • Doof
  • NGT/NmG
  • Onderwijs
  • Slechthorend
  • Taal

Alles draait in ons onderwijs om taal!

5 juli 2019 - Leestijd 3 - 5 minuten

Connie Fortgens neemt afscheid van haar werk als taalkundige. Ze was nauw betrokken bij de invoering van het tweetalig onderwijs aan dove en slechthorende kinderen. Ze deed er onderzoek naar en werkte mee aan verschillende landelijke projecten. Haar hart ligt bij de werkvloer. "Ik ben er van overtuigd geraakt dat alles in het onderwijs aan leerlingen die moeite hebben met horen, draait om taal."

  • Peter van Veen
page.header_image.alt
Wie is Connie Fortgens?
Dr. Connie Fortgens, stafmedewerker bij Auris Ondersteunende Diensten en van de Auris Dr. M. Polanoschool in Rotterdam. Taalkundige, gepromoveerd op onderzoek naar de taalkeuze van dove leerlingen in een tweetalige onderwijssetting. Connie is inhoudsdeskundige op het gebied van de zorg en het onderwijs aan dove en slechthorende leerlingen en maakt deel uit van de landelijke expertisegroep Sprong Vooruit.

De zon schijnt in Rotterdam. Het is pauze op de Auris Dr. M. Polanoschool, een school voor dove en slechthorende leerlingen van drie tot twaalf jaar. Kinderen rennen vrolijk over het schoolplein. Even later is het weer rustig. De leerlingen zijn terug in de klas en volgen het programma van die dag. Ondertussen loopt Connie Fortgens druk pratend door de gangen van de school. Ze vertelt te moeten wennen aan het idee dat ze over een aantal weken met pensioen gaat en stopt met haar werk als taalkundige. Vanaf de invoering van tweetalig onderwijs aan dove en slechthorende kinderen was ze er nauw bij betrokken. Zowel binnen Auris, haar huidige werkgever, als daarbuiten wordt ze regelmatig geraadpleegd over tweetalig onderwijs. Haar hart lag al die jaren bij de werkvloer, onder andere bij het onderwijs op de Polanoschool, haar thuis, zoals ze het zelf noemt. Ze staat stil en wijst naar buiten. ‘Als je niet beter weet, zou je denken dat deze school speciaal gebouwd is voor onze leerlingen. Overal glas en veel licht’, vertelt Fortgens enthousiast. ‘Zo kun je makkelijk naar elkaar gebaren maken. Prachtig.’ Al pratend loopt ze de koffiekamer binnen waar een collega haar vertelt over een van de lessen. ‘Wat goed’, complimenteert ze, gevolgd door een kort advies. Met koffie vervolgt ze haar weg. ‘Dit contact zal ik missen’, merkt ze op.

Wat maakt taal tot een taal?

Fortgens komt uit een echte onderwijsfamilie. Als kind wilde ze al vroeg juf worden. Onderwijs had dan wel haar hart, maar toen ze voor de klas stond viel het tegen. Ze besloot Algemene Taalwetenschap te gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Daar volgde ze colleges bij hoogleraar Ben Tervoort over gebarentaal en verdiepte ze zich in vragen als: wat maakt een taal tot een taal. Ze viel in die tijd midden in de discussie over het al dan niet toestaan van gebaren in het dovenonderwijs. Tervoort was er een voorstander van, terwijl op de meeste dovenscholen de zogenaamde orale methode nog gangbaar was. Voor- en tegenstanders van gebarentaal vlogen elkaar in de haren, leren oude jaargangen van Van Horen Zeggen. De discussie kwam bij Fortgens nogal onwezenlijk over. Voor haar was al snel duidelijk dat oraal onderwijs aan doven veel te wensen overlaat en nieuwsgierig verdiepte ze zich in onderzoek naar effectievere onderwijsmethoden. Met haar interesse en kennis van gebaren kon ze na haar studie aan de slag bij de Nederlandse Stichting voor het Dove en Slechthorende Kind (NSDSK). Daar werkte ze mee aan het KOMVA-project, een eerste landelijke inventarisatie van gebaren. Later was ze een van de auteurs van De Nederlandse Gebarentaal, een boek dat op de hogeschool nog steeds als standaardwerk over de Nederlandse Gebarentaal wordt beschouwd. Daarna gaat Fortgens op het Rudolf Mees Instituut aan het werk als taalkundige. Ze lacht als ze eraan terugdenkt. ‘Ik had geen duidelijke functieomschrijving, maar bemoeide me er met van alles wat met taal te maken had.’

Tweetalig onderwijs

In 1994 begint het Rudolf Mees Instituut in Rotterdam, de voorloper van de Polanoschool, een project tweetalig onderwijs gericht op dove leerlingen. De orale methode is er in die tijd, net als op de andere dovenschool in Nederland, nog steeds gangbaar, maar gebaren zijn er wel toegestaan: er wordt Nederlands gesproken en dat wordt ondersteund met gebaren. De Nederlandse Gebarentaal is geen instructietaal van leerkrachten. Bij het tweetalig onderwijs wordt behalve het gesproken Nederlands (al dan niet ondersteund met gebaren) de Nederlandse Gebarentaal gebruikt in het onderwijs. De Rotterdamse dovenschool is hiermee de eerste in Nederland.
Fortgens deed promotieonderzoek naar de taalkeuze van dove leerlingen in deze tweetalige onderwijssetting. ‘In die tijd ben ik ervan overtuigd geraakt dat alles in het onderwijs aan leerlingen die moeite hebben met horen, draait om taal. Wij zijn er omdat kinderen moeite hebben om de gesproken taal te verwerven. Oké, veel van onze kinderen lopen achter in hun sociaal-emotionele ontwikkeling, maar dat is ook terug te voeren op een taalachterstand. Als het om taal gaat dan moeten wij excellent zijn. Dat rechtvaardigt dan ook een functie als taalkundige in dit type onderwijs.’ ALS HET OM TAAL GAAT, dan MOETEN WIJ EXCELLENT ZIJN

Dankzij het tweetaligheidsproject krijgt de Nederlandse Gebarentaal een steeds belangrijker plek op school. ‘Het was heel erg zoeken naar wat wel en niet werkt. Lesgeven is erg ingewikkeld.’ Na een korte stilte: ‘Dat is nog steeds zo. Daar is niet zoveel in veranderd. Binnen het regulier onderwijs zijn er veel vormen en methoden, maar er is geen enkel onderzoek dat aantoont welke vorm het beste werkt. Dat is van zoveel factoren afhankelijk. Hetzelfde geldt voor ons onderwijs.’ Met stemverheffing: ‘In wetenschappelijk onderzoek naar de meest effectieve methode worden veelal twee kleine groepen leerlingen met elkaar vergeleken. Waardeloos. Het geeft hooguit een indicatie. Je leert veel meer door leerlingen of groepen met zichzelf te vergelijken. Ik ben een groot voorstander van praktijkonderzoek waarbij je kritisch kijkt, doelgericht werkt en probeert of iets werkt. En als iets niet werkt, probeer je wat anders. Zo verbeter je zoekend het onderwijs op een school.’

Goede onderwijsmethoden

Dat goede onderwijsmethoden hierbij noodzakelijk zijn staat voor Fortgens buiten kijf. Blij is ze dan ook met Sprong Vooruit. Ruim twintig jaar terug gaf het ministerie van OCW de dovenscholen in Nederland de opdracht om gezamenlijk methoden en materialen te ontwikkelen op onder andere het gebied van Nederlands, Nederlandse Gebarentaal en Dovencultuur. Fortgens was er vanaf het begin bij betrokken. Vanaf het begin werkt Sprong Vooruit vanuit de praktijk waarbij vragen van leerkrachten uitgangspunt zijn. Alles wat het expertise netwerk in de loop van de tijd ontwikkelde werd constant afgestemd met medewerkers op de scholen. Het is een werkwijze die past in de visie van Fortgens en ze herhaalt: ‘Lesgeven is ingewikkeld. Het is moeilijk om te bepalen of een methode goed werkt. Daarom moet je het goed afstemmen met de praktijk.’

Veel ontwikkelingen

Afgelopen decennia heeft Fortgens veel ontwikkelingen in het onderwijs meegemaakt. Verschillende thema’s noemt ze: de invoering van gebarentaal in het onderwijs, Cochleaire Implantatie en Passend Onderwijs. Met nadruk noemt ze echter dat in vergelijking met 25 jaar terug met methoden wordt gewerkt. ‘Toen ik begon op deze school waren er geen methoden. Iedere leerkracht gaf les naar beste weten.’ Daarnaast sluit het onderwijs beter aan op de belevingswereld van kinderen. Dat betekent volgens Fortgens niet dat ze voorstander is van individuele programma’s voor leerlingen. ‘Zo uniek zijn kinderen ook weer niet. Klassikale instructies zijn belangrijk en daarnaast werkt het veel efficiënter. We moeten accepteren dat het ene kind iets eerder begrijpt dan het andere kind. Het gaat er vooral om dat je een rijke taalomgeving creëert.'