Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
Talige en cognitieve ontwikkeling van eentalige en meertalige kinderen met en zonder een taalontwikkelingsstoornis
  • Artikel
  • Cognitie
  • Meertaligheid
  • Taal
  • TOS

Talige en cognitieve ontwikkeling van eentalige en meertalige kinderen met en zonder een taalontwikkelingsstoornis

1 november 2017 - Leestijd 15 - 20 minuten

De taalkennis van een meertalig kind is verdeeld over twee (of meer) talen en er wordt daarom bij het vermoeden van een TOS aangeraden om beide talen van het kind te testen. Onder andere vanwege gebrek aan geschikte instrumenten, tolken en financiële middelen is dit echter niet altijd haalbaar. De vraag is welke alternatieven er zijn om een TOS van een taalachterstand te onderscheiden. In het hier beschreven onderzoek is uitgezocht of het mogelijk is om met taal-overstijgende instrumenten dat onderscheid te maken.

  • Tessel Boerma
  • Elma Blom
page.header_image.alt

Beeld: Mary Pahlke

Het aantal kinderen dat in de vroege kindertijd twee of meer talen leert, groeit hard en meertaligheid is in toenemende mate eerder regel dan uitzondering. Ook in Nederland krijgen professionals in de zorg en het onderwijs steeds meer te maken met kinderen die meertalig opgroeien, bijvoorbeeld door een migratieachtergrond. Dit kan verschillende consequenties hebben voor de ontwikkeling van kinderen. Zo zijn er indicaties dat het managen van twee talen een positief effect heeft op de cognitieve ontwikkeling. De taalontwikkeling van meertalige kinderen kan echter juist vertraagd zijn doordat het taalaanbod verdeeld is over meerdere talen, en ze dus vaak minder aanbod ontvangen in één taal, bijvoorbeeld het Nederlands, dan een eentalig kind. Het taalprofiel van kinderen met zo’n taalachterstand kan oppervlakkige gelijkenissen vertonen met het taalprofiel van kinderen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS), waardoor het lastig is om een TOS bij meertalige kinderen te identificeren. Taalproblemen bij deze groep kinderen kunnen immers voortkomen uit onvoldoende blootstelling of zwakke taalleermechanismen (of beide).

Er zijn indicaties dat het managen van twee talen een positief effect heeft op de cognitieve ontwikkeling

De afgelopen jaren is er veel onderzoek gestart op het kruispunt van TOS en meertaligheid, waaronder een grootschalig longitudinaal project aan de Universiteit Utrecht. Uit dit project is recent een proefschrift voortgekomen, waarvan de bevindingen in dit artikel zijn samengevat. De studies beschreven in dit proefschrift hebben (1) drie instrumenten geëvalueerd die de identificatie van een TOS bij een meertalig kind zouden kunnen ondersteunen, (2) de (Nederlands)talige en cognitieve ontwikkeling van meertalige kinderen met een TOS in kaart gebracht, zodat de kennis over deze groeiende groep wordt vergroot, (3) de bron van de overlappende taalprofielen van meertalige kinderen en kinderen met een TOS onderzocht, om zo meer inzicht te krijgen in de onderliggende mechanismen die de taalproblemen van kinderen met een TOS veroorzaken. Hiertoe zijn vier groepen kinderen (eentalige en meertalige kinderen met en zonder een TOS) drie jaar lang gevolgd, beginnend bij een leeftijd van 5 en 6 jaar.

Foto: Peter Strating

Identificatie van een TOS bij meertalige kinderen

Gestandaardiseerde instrumenten die gebruikt worden om een TOS te diagnosticeren, zoals woordenschat- of grammaticataken, meten kennis van een specifieke taal en benadelen daardoor kinderen die minder zijn blootgesteld aan deze taal. Zo scoren niet alleen kinderen met een TOS zwak op zulke taken, maar ook meertalige kinderen. De taalkennis van een meertalig kind is verdeeld over twee (of meer) talen en er wordt daarom bij het vermoeden van een TOS aangeraden om beide talen van het kind te testen. Onder andere vanwege gebrek aan geschikte instrumenten, tolken en financiële middelen is dit echter niet altijd haalbaar. De vraag is welke alternatieven er zijn om een TOS van een taalachterstand te onderscheiden.

Onderzoekers en clinici uit verschillende Europese landen hebben zich tussen 2009 en 2013 over deze vraag gebogen. In het kader van de COST Actie IS0804 Language Impairment in a Multilingual Society: Linguistic Patterns and the Road to Assessment [Taalontwikkelingsstoornis in een Meertalige Maatschappij: Linguïstische Patronen en de Weg naar Diagnosticering] (www.bi-sli.org) zijn er in deze periode nieuwe instrumenten ontwikkeld om de identificatie van een TOS bij meertalige kinderen te ondersteunen. De studies in het genoemde proefschrift hebben de klinische waarde geëvalueerd van drie van deze instrumenten. In plaats van taal-specifieke kennis, meten deze instrumenten vaardigheden die kinderen hebben verworven in elke taal die ze hebben geleerd. Hierdoor zouden meertalige kinderen niet meer benadeeld moeten worden, terwijl verwacht mag worden dat kinderen met een TOS zwak presteren.

 

De instrumenten

Het eerste instrument dat werd onderzocht, is de quasi-universele nonwoord repetitietaak. Het bijzondere aan deze taak is dat de nonwoorden niet gebaseerd zijn op bestaande Nederlandse woorden, zoals bij veelgebruikte nonwoord repetitietaken wel het geval is, maar dat ze ontwikkeld zijn aan de hand van structuren en klanken die in heel veel verschillende talen frequent voorkomen. Hierdoor kunnen meertalige kinderen gebruikmaken van kennis die verworven is op grond van het taalaanbod in zowel hun eerste als tweede taal en scoren ze volgens verwachting niet lager dan eentalige kinderen. Voor het tweede instrument (de MAIN), een narratief geanalyseerd op macroniveau, geldt hetzelfde. De macrostructuur van een verhaal, ofwel de plotelementen die de verhaallijn vormen (zoals een doel of resultaat), is vergelijkbaar in elke taal. Als de macrostructuur van een verhaal in één taal geleerd is, dan kan deze kennis ook gebruikt worden in een andere taal. Het derde instrument is een oudervragenlijst, waarvan specifiek de vragen over de vroege taalontwikkeling van een kind zijn onderzocht. Ouders werden gevraagd wanneer hun kind de eerste mijlpalen (eerste woordje en zinnetje) behaalde, om het even in welke taal, en of ze bezorgd waren geweest over de taalontwikkeling van hun kind.

Foto: Peter Strating

De resultaten

De resultaten toonden aan dat de eentalige en meertalige kinderen even goed waren in het herhalen van de quasi-universele nonwoorden, even goed een verhaal konden vertellen en begrijpen, en een vergelijkbare vroege taalontwikkeling hadden gehad. Terwijl de instrumenten dus ongevoelig waren voor de effecten van meertaligheid, waren ze juist wel gevoelig voor de effecten van een TOS. De kinderen met een TOS, zowel eentalig als meertalig, behaalden lagere scores op de drie instrumenten dan de typisch ontwikkelende kinderen. De instrumenten bleken een uitstekende klinische waarde te hebben: samen konden ze meer dan 95% van de eentalige en meertalige kinderen met en zonder een TOS correct identificeren. Hoewel er bij een vermoeden van een TOS bij een meertalig kind idealiter getest wordt in beide talen van het kind, bieden deze drie instrumenten (quasi-universele nonwoord repetitietaak, narratief en oudervragenlijst) dus een veelbelovend alternatief voor situaties waarin dat niet haalbaar is.     

 

TOS en meertaligheid: sterke en zwakke punten

Naast bijdragen aan een betrouwbare diagnosestelling van een TOS bij meertalige kinderen, richtten de studies in het genoemde proefschrift zich op het identificeren van de sterke en zwakke kanten van kinderen met een TOS, meertalige kinderen en kinderen die zowel een TOS hebben als meertalig opgroeien. Voor dit doel werden de prestaties van kinderen op verschillende talige (woordenschat en morfologie in het Nederlands) en cognitieve (verbaal en non-verbaal geheugen, selectieve aandacht en inhibitie) taakjes in kaart gebracht. Figuur 1 en Figuur 2 hieronder tonen de belangrijkste resultaten.

Verbale en non-verbale taken vergeleken

Kinderen met een TOS, zowel eentalig als meertalig, bleken duidelijk het meeste moeite te hebben met de verbale taken die werden afgenomen. Zoals verwacht werden grote negatieve effecten van een TOS gevonden op taalkennis (receptieve woordenschat, morfologie) en taalverwerking (verbaal korte-termijn geheugen en verbaal werkgeheugen). Op de non-verbale cognitieve taken scoorden de kinderen met een TOS relatief goed, hoewel op non-verbaal werkgeheugen en inhibitie toch subtiele verschillen werden gevonden tussen kinderen met en zonder een TOS. Mogelijk is de prestatie van kinderen met een TOS op non-verbale cognitieve taken erg afhankelijk van de complexiteit en veeleisendheid van de taak. Zo scoorden kinderen met en zonder een TOS vergelijkbaar op de non-verbale korte-termijn geheugentaak, waarin ze visuele informatie moesten onthouden, terwijl kinderen met een TOS zwakker presteerden dan typisch ontwikkelende leeftijdsgenoten wanneer ze die visuele informatie ook nog moesten manipuleren (=werkgeheugen). Tevens leek de lengte van de taak van belang, aangezien een korte selectieve aandachtstaak geen problemen gaf voor kinderen met een TOS, in tegenstelling tot een langere inhibitietaak.

Eerdere studies hebben cognitieve voordelen van meertaligheid aangetoond, maar nu blijken deze voordelen ook aanwezig te zijn bij meertalige kinderen met een TOS

Meertalige kinderen scoorden minder goed dan eentalige kinderen op taken die kennis van het Nederlands meten. Gezien het eerder genoemde verdeelde taalaanbod van meertalige kinderen, is dit niet verwonderlijk. Meertalige kinderen hadden de grootste achterstand op receptieve woordenschat, en voor meertalige kinderen met een TOS lijkt dit ook een wezenlijk risicogebied te zijn. Anders dan op de Nederlandse taaltesten, presteerden de meertalige kinderen even goed als hun eentalige leeftijdsgenoten op de verbale en non-verbale cognitieve taken. Wanneer statistisch gecontroleerd werd voor Nederlandse taalvaardigheid, werden er zelfs positieve effecten van meertaligheid gevonden. Meertalige kinderen met een TOS hadden een grotere werkgeheugencapaciteit dan eentalige kinderen met een TOS, en meertalige typisch ontwikkelende kinderen hadden een betere selectieve aandacht dan eentalige typisch ontwikkelende kinderen. Eerdere studies met typische ontwikkelende kinderen hadden al vaker cognitieve voordelen van meertaligheid gevonden, maar het blijkt nu dus dat deze voordelen ook aanwezig zijn bij meertalige kinderen met een TOS.

Foto: Peter Strating

Overlappende taalprofielen

Zoals eerder onderzoek al liet zien, blijkt ook uit de bevindingen van het proefschrift in kwestie dat de taalprofielen van kinderen met een TOS en meertalige kinderen gelijkenissen vertonen, en dat de twee groepen soms moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn. In de literatuur is er echter nog weinig bekend over wanneer en in welk taaldomein deze gelijkenissen het meest geprononceerd zijn. De studies in het genoemde proefschrift hebben daarom de Nederlandse taalvaardigheid (woordenschat, morfologie) van eentalige en meertalige kinderen met en zonder een TOS over een periode van drie jaar vergeleken. Uit de resultaten kwam naar voren dat zowel een TOS als beperkte blootstelling door meertaligheid de taalontwikkeling van een kind hardnekkig kan beïnvloeden. Vooral de receptieve woordenschat van jonge kinderen met een TOS en jonge meertalige kinderen (5-6 jaar) vertoonde zeer opvallende gelijkenissen.

Het effect van een TOS op de taalvaardigheid van zowel eentalige als meertalige kinderen kan verklaard worden door een zwakke auditieve volgehouden aandacht

Daarnaast is er nog weinig onderzoek gedaan naar de vraag waarom meertalige kinderen en kinderen met een TOS soms overlappende taalprofielen hebben. Ten behoeve van dit doel werd de relatie tussen de taalvaardigheden van kinderen en hun volgehouden aandacht bestudeerd. De verwachting was dat kinderen met een TOS hun aandacht voor taalaanbod minder goed konden vasthouden dan typisch ontwikkelende kinderen en zo het taalaanbod onvolledig zouden verwerken. Hierdoor ontwikkelen ze mogelijk dezelfde taalproblemen als kinderen die minder blootstelling aan een bepaalde taal krijgen. De resultaten kwamen overeen met deze hypothese. Het effect van een TOS op de taalvaardigheid van zowel eentalige als meertalige kinderen kon verklaard worden door een zwakke auditieve volgehouden aandacht. Deze zwakke auditieve volgehouden aandacht belemmert vermoedelijk een goede verwerking van taalaanbod, hetgeen gevolgen heeft voor de taalverwerving.

Foto: Peter Strating

Conclusies

De studies in het beschreven proefschrift onderzochten de talige en cognitieve ontwikkeling van 5- tot 8-jarige eentalige en meertalige kinderen met en zonder een TOS. De bevindingen hebben belangrijke klinische implicaties. Zo blijkt dat drie recent ontwikkelde instrumenten de potentie hebben om een betrouwbare diagnose van een TOS bij een meertalig kind te ondersteunen. Een belangrijke vervolgstap is het verzamelen van normgegevens, zodat de instrumenten in de praktijk gebruikt kunnen gaan worden. Op dit moment zijn de instrumenten al wel online beschikbaar voor geïnteresseerden (www.uu.nl/codembi). De bevindingen in dit proefschrift geven bovendien meer duidelijkheid over de sterke (werkgeheugen) en zwakke (woordenschat) punten van meertalige kinderen met een TOS – een groep die hard groeit door de toenemende linguïstische diversiteit in veel landen in de wereld. Toekomstig onderzoek zal moeten verkennen of die sterke kanten van meertalige kinderen met een TOS ook ingezet kunnen worden om de taalontwikkeling te bevorderen.

Naast klinische implicaties, hebben de resultaten van de studies in dit proefschrift ook belangrijke theoretische implicaties. De gedeeltelijke overlap tussen de taalprofielen van meertalige kinderen en kinderen met een TOS suggereert dat de taalproblemen van kinderen met een TOS voortkomen uit een minder goed vermogen om taalaanbod te verwerken. Meer onderzoek naar de relatie tussen taal en cognitie bij kinderen met een TOS is noodzakelijk om dit te bevestigen en om verschillende onderliggende mechanismen te toetsen. Zoals dit proefschrift heeft kunnen bouwen op eerder onderzoek, kunnen deze bevindingen nieuw werk op het kruispunt van TOS en meertaligheid stimuleren.

 

Dit artikel is gebaseerd op het proefschrift ‘Profiles and paths: Effects of language impairment and bilingualism on children’s linguistic and cognitive development’, geschreven door Tessel Boerma onder begeleiding van Elma Blom, Paul Leseman en Frank Wijnen. Dit proefschrift was onderdeel van het onderzoeksproject ‘Cognitieve ontwikkeling in de context van ontluikende meertaligheid’. Dit project werd met een VIDI-beurs, toegekend aan Elma Blom, gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Indien u meer informatie wilt, kunt u mailen naar Tessel Boerma (t.d.boerma@uu.nl).