Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
Fiets je mee? Fietservaring en fietsbeleving van dove en slechthorende kinderen.
  • Artikel
  • Cognitie
  • Hulpmiddel
  • Kinderen

Fiets je mee? Fietservaring en fietsbeleving van dove en slechthorende kinderen.

15 mei 2019 - Leestijd 15 - 20 minuten

Nederlanders zijn fietsers: jaarlijks leggen we gezamenlijk ruim 15 miljard kilometer af op de fiets. De vaardigheid om te kunnen fietsen hangt samen met de grof-motorische en de cognitieve ontwikkeling van het kind en D|SH kinderen zouden daarom wellicht op achterstand staan. Maar onderzoek naar fietsgedrag of fietsbeleving onder D|SH kinderen is voor zover ons bekend niet eerder gedaan. Vandaar dat we zelf een eerste verkennende studie hebben uitgevoerd.

  • Evelien Dirks
  • Harry Knoors
page.header_image.alt

Foto: Zhivko Dimitrov

Nederland staat bekend als een fietsland. Niet zo gek als je bedenkt dat alle inwoners gezamenlijk 22,8 miljoen fietsen bezitten en er 35.000 kilometer aan fietspaden in ons landje ligt. Gemiddeld telt een huishouden drie fietsen. Per jaar leggen we daarmee ruim gemiddeld 860 kilometer af, en fietsen we gezamenlijk in totaal 15 miljard kilometer (RAI, 2018).

Fietsende kinderen

Ook kinderen en jongeren fietsen veel. Als kinderen zo’n 12 jaar oud zijn fietsen ze jaarlijks gemiddeld 650 kilometer. Vaak fietsen ze ook naar school. Fietsen is een vorm van bewegen. Bewegen is van groot belang voor onze fysieke en psychische gezondheid. Dat geldt uiteraard ook voor kinderen. Bewegen zorgt bij kinderen in de basisschoolleeftijd voor positieve effecten op de aandacht, de executieve functies en op de schoolprestaties. Van belang is daarbij dat bewegen de vorm heeft van continue, regelmatige activiteiten, die meerdere weken duren (De Greeff, Bosker, Oosterlaan, Visscher & Hartman, 2018). Fietsen is een goed voorbeeld van zo’n activiteit. In de hele Westerse wereld bewegen mensen echter steeds minder. Bewegen zorgt voor positieve effecten op de aandacht, de executieve functies en op de schoolprestatiesOm daar verandering in aan te brengen is er meer aandacht gekomen voor het fietsen van kinderen naar school. Naar school fietsen is namelijk een ideale manier om een fysieke activiteit te integreren met een dagelijkse routine. Daarnaast verbruik je bij het fietsen meer energie dan bij het lopen en dus leidt fietsen tot hogere niveaus van lichamelijke fitheid dan lopen (Ducheyne, De Bourdeaudhuij, Lenoir & Cardon, 2012).

Fietsen heeft ook een positieve invloed op de sociale ontwikkeling. Niet alleen is het een uitstekende manier om met vrienden en klasgenootjes op te trekken (denk aan de groepen middelbare scholieren die gezamenlijk naar school fietsen), maar ook draagt kunnen fietsen bij aan iemands zelfredzaamheid, omdat je eigenstandig grotere afstanden kunt afleggen. De actieradius voor bezoek aan winkels, school of werk, kerk, theater, bioscoop, sportgelegenheden en vrienden wordt erdoor vergroot.

Vaardig fietsen

In ons land is fietsen zo vanzelfsprekend dat we snel geneigd zijn te denken dat fietsen ook heel eenvoudig is. Toch is dat niet zo. Fietsen is een heel complexe vaardigheid, zeker als je fietst in het verkeer. Fietsen doet een beroep op veel deelvaardigheden. Trappend bewegen, sturen, remmen, je evenwicht behouden. Maar ook goed kijken, je in andere verkeersdeelnemers verplaatsen. Situaties in het verkeer goed kunnen overzien en je gedrag snel kunnen aanpassen. En tot slot verkeersregels kennen en kunnen toepassen. 

De vaardigheid om te kunnen fietsen hangt samen met de grof-motorische en de cognitieve ontwikkeling van het kind en met de leeftijd waarop met het fietsen begonnen wordt (Zeuwts, Vansteenkiste, Cardon & Lenoir, 2016). Hoe jonger een kind leert fietsen, des te beter zal de fietsvaardigheid zich ontwikkelen. Fietsvaardigheid hangt minder sterk samen met de hoeveelheid tijd die gefietst wordt. Het is van belang om goed te leren fietsen, omdat veel fietsongelukken van kinderen veroorzaakt worden door problemen met het sturen en door het vallen met de fiets (en dus door problemen met het bewaren van evenwicht).

Op de leeftijd van ongeveer 5 jaar leren veel kinderen om de pedalen goed rond te trappen en om hun evenwicht te houden, zodat ze niet van de fiets vallen en zowel rechtdoor als in rondjes kunnen fietsen. Daarna leren kinderen meer complexe fietsvaardigheden, veelal in een verkeersluwe omgeving en onder begeleiding van volwassenen. Op de leeftijd van 9 jaar kunnen ze zelfstandig korte ritten ondernemen (Zeuwts, Vansteenkiste, Cardon & Lenoir, 2016). De meeste kinderen hebben voldoende motorische controle als ze 10 jaar oud zijn, maar de individuele verschillen zijn aanzienlijk.

Fietsen in het dagelijks verkeer is gebaat bij een goede automatisering van de basisfietsvaardigheden. Dan hebben kinderen voldoende cognitieve ruimte beschikbaar om op het verkeer zelf te letten. Op veel basisscholen wordt aandacht besteed aan het fietsen van leerlingen. Voorbereiding op en afname van het praktisch verkeersexamen is hierbij een belangrijk middel. Wel lijkt de voorbereiding soms beperkt te blijven tot een rondje fietsen en een enkel theoretisch lesje. In 2016 deed slechts 8 % van alle basisscholen niet mee aan dit verkeersexamen. 90% van alle leerlingen slaagde ervoor. Ook bleek in dat verband het fietsbezit bij kinderen in ons land aardig op orde te zijn, al lijkt dat beeld in achterstandswijken in de grote steden wat minder gunstig (Kalle, Van Rooijen & Spapé, 2018).

Foto: Frank Malipaard

Fietsende dove en slechthorende kinderen

Voor zover ons bekend is niet eerder onderzoek gedaan naar het fietsen van dove en slechthorende (D|SH) kinderen. Enerzijds zou men kunnen veronderstellen dat de fietsvaardigheid van deze kinderen, zeker in het verkeer, te wensen kan overlaten, bijvoorbeeld omdat de kinderen auditieve signalen missen. Ook wordt het opdoen van fietservaring mogelijk negatief beïnvloed door het niet goed begrijpen van de instructies van ouders of door beperking van de mogelijkheden om het fietsen te oefenen, als gevolg van een te beschermende opvoeding. Anderzijds laat onderzoek onder autorijdende D|SH volwassenen weliswaar zien dat minder volwassenen hun rijbewijs behalen (vooral als gevolg van visus- en motorische problemen), maar ook dat degenen met een rijbewijs juist minder risico in het verkeer lopen dan horende volwassenen, waarschijnlijk omdat ze effectieve copingmechanismes hebben ontwikkeld: gerichter kijken, langzamer rijden, geconcentreerder aan het verkeer deelnemen (Thorslund, Peters, Lidestam & Lyxell, 2013; Thorslund, Peters, Lyxell & Lidestam, 2013).

Veel meer is bekend over de motorische ontwikkeling van D|SH kinderen en jongeren en over hun lichamelijke fitheid. Nederlands en Vlaams onderzoek heeft hieraan het nodige bijgedragen. Wiegersma en Vandervelde (1983) lieten in hun onderzoek zien dat gezonde D|SH kinderen tussen de 6 en de 10 jaar vooral problemen hebben met de dynamische coördinatie van hun bewegingen. Ook is hun bewegingssnelheid in vergelijking met die van horende kinderen trager, mogelijk door verschillen in de processen die ten grondslag liggen aan de uitvoering van bewegingen. Kinderen met bijkomende ontwikkelingsproblemen blijken ook slechter te presteren op visueel-motorische taken. Rine en collega’s lieten in een Amerikaanse studie zien dat de ontwikkeling van de grove motoriek bij veel D|SH  kinderen vertraagd verloopt. Bij kinderen met vestibulaire stoornissen blijkt niet alleen dat hun evenwicht minder goed ontwikkeld is, maar dat ook de ontwikkeling van de grove motoriek met het toenemen van de leeftijd steeds grotere achterstanden gaat vertonen (Rine, Cornwall, Gan, LoCascio, O’Hare, Robinson & Rice, 2000). Vlaams onderzoek bevestigt het algemene beeld dat veel D|SH kinderen in vergelijking met horende kinderen achterstanden in hun motorische ontwikkeling vertonen. Dat blijkt net zo goed te gelden voor veel dove kinderen met een cochleair implantaat die reguliere scholen bezoeken (Gheysen, Loots & Van Waelvelde, 2008).

Hartman, Houwen en Visscher (2011) bestudeerden de motorische vaardigheden en sportparticipatie bij 51 basisschoolleerlingen van een tweetalige Nederlandse dovenschool. Beduidend meer dove kinderen dan horende leeftijdsgenoten bleken problemen te hebben met het bewaren van het evenwicht en met balvaardigheden. Beduidend meer dove kinderen hebben problemen met het bewaren van het evenwichtVooral oog-handcoördinatie en evenwicht in stand bleken moeilijk. Kinderen die veel aan sport doen, bleken deze problemen niet minder te vertonen dan kinderen die minder vaak sporten. Wel waren sportende dove kinderen beter in het vangen van een object, het mikken op een doel en het bewaren van evenwicht tijdens bewegingen. De problemen met de oog-handcoördinatie en met statisch evenwicht bleken niet samen te hangen met het IQ, maar leken een gevolg van het gehoorverlies zelf.

Ons onderzoek

Omdat bewegen zo van belang is voor de fysieke en mentale ontwikkeling van kinderen en fietsen in ons land een belangrijk onderdeel van dat bewegen vormt, zijn we geïnteresseerd in het fietsgedrag en de fietsbeleving van D|SH kinderen. Hoe zit het met het fietsen van D|SH kinderen? Fietsen zij net zo vaak en met net zoveel plezier als hun horende leeftijdgenootjes? Onderzoek hiernaar is voor zover ons bekend niet eerder gedaan, vandaar dat we zelf een eerste verkennende studie hebben uitgevoerd. Zo hopen we onder andere meer inzicht in de motorische vaardigheden van D|SH kinderen te krijgen en vinden we mogelijk aanknopingspunten om het bewegen van deze kinderen te bevorderen. In ons onderzoek hebben we het fietsgedrag en de fietsbeleving van D|SH en horende kinderen in de leeftijd van 6 tot 13 jaar in kaart gebracht. Dat hebben we gedaan door ouders van deze kinderen een online vragenlijst te laten invullen.

Deze vragenlijst bestond uit 48 vragen en is ontwikkeld in samenwerking met de Amerikaanse onderzoeker Elisabeth Walker in het kader van gezamenlijk onderzoek naar fietsgedrag van D|SH kinderen in Nederland en de Verenigde Staten.  De vragen gaan over onderwerpen als fietsfrequentie, fietsbeleving en fietsgedrag. Ouders zijn geworven door oproepen op websites van instellingen en van ouderorganisaties en door oproepen via sociale media.

De deelnemers

Uiteindelijk zijn 89 ouders van D|SH kinderen en 112 ouders van horende kinderen (controlegroep) met een kind in de basisschoolleeftijd bereid gevonden de online vragenlijst in te vullen (zie Tabel 1).

De verdeling van D|SH kinderen over reguliere en speciale scholen is ongeveer gelijk (46 respectievelijk 43 kinderen). Er zijn geen significante verschillen tussen de groepen wat betreft de leeftijd. Gemiddeld zijn alle groepen ongeveer 10 jaar oud. Ook zijn er geen grote verschillen in het aantal jongens en meisjes; in de groep D|SH  kinderen zijn er iets meer jongens, bij de horende kinderen is dat juist omgekeerd. Het aantal slechthorende kinderen is groter dan het aantal dove kinderen (56 respectievelijk 34 kinderen); slechthorende kinderen bezoeken vaker het regulier onderwijs dan dove kinderen.

Slechts drie kinderen dragen volgens de ouders noch een hoortoestel noch een cochleair implantaat. Alle horende kinderen blijken in het bezit van een fiets evenals 85 van de 89 D|SH kinderen. Drie D|SH kinderen hebben een driewieler als fiets.

De resultaten

Wanneer we naar de leeftijd kijken waarop kinderen zonder zijwieltjes kunnen fietsen dan blijkt dat D|SH kinderen dit op een significant latere leeftijd kunnen dan horende kinderen: 4.5 jaar versus 4.0 jaar. Dit verschil blijkt te worden veroorzaakt door de D|SH kinderen in het speciaal onderwijs: de gemiddelde leeftijd waarop zij volgens de ouders zonder zijwieltjes kinderen fietsen is 5.1 jaar, ruim één jaar later dan de andere kinderen. 

Fietsgedrag

We hebben ouders gevraagd naar het fietsgedrag van hun kinderen door hun stellingen voor te leggen zoals bijvoorbeeld “mijn kind valt vaak met de fiets”. Aan de hand van een 5-puntsschaal gaven zij aan in hoeverre zij het met de stellingen eens waren. Ouders van D|SH kinderen gaven aan dat hun kinderen in het verkeer minder goed rekening houden met anderen en minder goed om zich heen kijken dan horende kinderen. Uit de resultaten blijkt ook dat D|SH kinderen volgens hun ouders meer moeite hebben met fietsen; ze vallen vaker, slingeren vaker en hebben meer moeite om hun balans te houden dan hun horende leeftijdsgenootjes (zie Tabel 2).

Als we de binnen de groep D|SH kinderen kijken dan zien we dat het fietsen voor kinderen die op speciaal onderwijs zitten moeizamer gaat dan voor de D|SH kinderen op een reguliere school. Als we ouders vragen hoe vaak hun kinderen fietsen dan blijkt dat D|SH kinderen minder vaak fietsen dan horende kinderen (zie Figuur 1).

Dit komt met name door het fietsgedrag van de D|SH kinderen uit het speciaal onderwijs. Deze kinderen wonen vaak verder van school (77% woont verder dan 10 km) en gaan dus ook zelden met de fiets naar school (88% gaat nooit met de fiets naar school). Kinderen die naar een reguliere school gaan (D|SH en horend) wonen vaak dichtbij de school (61% woont op minder dan 1 km afstand van school) en gaan vaker met de fiets naar school (57% gaat vaak of altijd met de fiets en 24% soms). Thuis, in de buurt en in het park en speelplaats of op vakantie fietsen D|SH kinderen net zo vaak als hun horende leeftijdgenootjes (zie Tabel 3).

D|SH kinderen in het speciaal onderwijs fietsen minder vaak alleen en minder vaak met vriendjes dan D|SH kinderen in het regulier onderwijs en horende kinderen. Als ze fietsen dan fietsen ze gemiddeld per keer wel significant langer dan horende kinderen (zie Figuur 2).

Fietsbeleving

Volgens ouders vinden D|SH kinderen fietsen net zo leuk als horende kinderen (zie Tabel 2). Echter, ouders geven wel aan dat zij zelf en hun D|SH kinderen minder vertrouwen hebben in het fietsgedrag van deze kinderen. Dit geldt voor D|SH kinderen in het speciaal onderwijs nog meer dan voor de D|SH kinderen op een reguliere school. Volgens de ouders maakt het fietsen D|SH kinderen ook zenuwachtiger en is het frustrerender dan voor horende kinderen.

Hulpmiddelen

Volgens de ouders dragen bijna alle kinderen hun hoorhulpmiddel (hoortoestel, CI etc.) op de fiets (91%). Wel geeft een grote groep ouders (75%) aan dat een hoortoestel en/of cochleair implantaat tijdens het fietsen niet comfortabel is voor de kinderen in verband met ruis door wind en verkeerslawaai. Een klein aantal ouders (15%) geeft aan tijdens het fietsen met zijn of haar kind gebruik te maken van soloapparatuur. Daarnaast hebben 20 kinderen (22%) een bordje/plaatje achterop de fiets om duidelijk te maken dat het kind slechthorend of doof is en 6 kinderen hebben een spiegel op hun fiets.

Maar weinig kinderen dragen een helm tijdens het fietsen; 90% van de horende kinderen draagt nooit een helm en 75% van de D|SH kinderen draagt nooit een helm.

En dus….

Het goede nieuws van dit onderzoek is dat D|SH kinderen volgens hun ouders fietsen even leuk vinden als horende kinderen. Tegelijkertijd laten de resultaten zien dat het fietsen van D|SH kinderen mogelijk wel extra aandacht vraagt. Ouders van D|SH kinderen hebben minder vertrouwen in de fietsvaardigheid van hun kind en gezien de overige resultatenlijst is dat alleszins begrijpelijk. Het houden van balans terwijl je fietst is voor D|SH kinderen een behoorlijke uitdaging. Het resulteert in meer slingeren op de fiets, terwijl de D|SH kinderen in het speciaal onderwijs ook vaker vallen met hun fiets. Deze kinderen zijn volgens hun ouders ook zenuwachtiger tijdens het fietsen. Daarnaast blijkt het fietsen met hoorhulpmiddelen niet heel erg comfortabel te zijn. Het goede nieuws van dit onderzoek is dat D|SH kinderen volgens hun ouders fietsen even leuk vinden als horende kinderenBedenk daarbij dat fietsen in het verkeer niet alleen fietsvaardigheid vereist maar ook concentratie en aandacht, jezelf verplaatsen in andere verkeersdeelnemers, overzicht van complexe situaties en besluitvaardigheid. Allemaal zaken die D|SH kinderen niet komen aanwaaien, gezien de problemen die velen hebben met auditieve waarneming, taal, en cognitie (EF, ToM).

Hoe zijn deze resultaten te verklaren? Zou een minder goede fietsvaardigheid komen doordat D|SH kinderen minder vaak fietsen? En dan met name die kinderen die niet naar school fietsen, omdat ze in het speciaal onderwijs zitten? Doen ze zo te weinig fietservaring op en leidt dat tot problemen of worden die problemen zo in stand gehouden? Echter, in hun vrije tijd fietsen D|SH kinderen, ongeacht de schoolsetting, even vaak als horende leeftijdgenoten. En de gemiddelde fietsduur is bij D|SH kinderen zelfs langer. Dit lijkt een verklaring in termen van te weinig ervaring met fietsen tegen te spreken. Bovendien wijst onderzoek onder horende kinderen uit dat er geen sterk verband bestaat tussen fietsvaardigheid en de aan fietsen bestede tijd.

Zijn het dan toch de motorische problemen die veel D|SH kinderen ervaren, waaronder ook problemen met hun evenwicht? En krijgen die kinderen niet geheel toevallig vaker onderwijs op speciale scholen? Dat lijkt zeker een plausibele verklaring. Net iets minder D|SH kinderen blijken een fiets te hebben, wellicht vanwege problemen met het fietsen. En drie D|SH kinderen fietsen op een driewieler. Belangrijker nog, D|SH kinderen fietsen langer met zijwieltjes, met name de kinderen die later speciale scholen bezoeken. Dat lijkt te wijzen in de richting van motorische problemen, die het (leren) fietsen belemmeren. Maar zeker weten doen we het niet, want in dit onderzoek hebben we niet het verband tussen motorische ontwikkeling, schoolsetting en fietsvaardigheid onderzocht. Ook weten we niet of de inschattingen van de ouders overeenkomen met de competentiebeleving van D|SH kinderen zelf en, minstens zo belangrijk, met hun daadwerkelijke motorische en fietsvaardigheid. Bovendien weten we nog niet wat de mogelijke gevolgen zijn van een minder grote fietsvaardigheid bij D|SH kinderen. Meer problemen in het verkeer? Minder mobiliteit? Minder zelfredzaamheid? Minder goede sociale relaties? Resulterend in meer psychische klachten? Omdat een gezonde geest nu eenmaal in een gezond lichaam wil huizen? We weten het allemaal nog niet.

En dus is de belangrijkste conclusie van onze verkennende studie dat er alle aanleiding is om meer en diepgaander onderzoek te doen naar de fietsvaardigheid van D|SH kinderen. Om via een reeks van studies bovengenoemde vragen te kunnen beantwoorden. Zodat we gerichter ouders, leerkrachten, gymleerkrachten en medewerkers bij sportclubs kunnen informeren welke problemen D|SH kinderen zelf ervaren. En waar die problemen door veroorzaakt worden. de belangrijkste conclusie: er is alle aanleiding om meer en diepgaander onderzoek te doen naar de fietsvaardigheid van D|SH kinderenZodat we, indien nodig, ook kunnen adviseren over mogelijke oplossingen. Meer bewegen en sporten in het algemeen? Of juist een gerichte fietstraining? Voor alle D|SH kinderen? Of juist voor de kinderen in het speciaal onderwijs? ’Fiets je mee?’ wordt dus vervolgd. In de tussentijd kan het uiteraard geen kwaad D|SH kinderen te blijven aanmoedigen om te fietsen. Al was het alleen maar omdat ze fietsen zelf zo leuk vinden.

Literatuur

De Greeff, J. W., Bosker, R. J., Oosterlaan, J., Visscher, C. & Hartman, E. (2018). Effects of physical activity on executive functions, attention and academic performance in preadolescent children: a meta-analysis. Journal of Science and Medicine in Sport, 21(5), 501-507.

Ducheyne, F., De Bourdeaudhuij, I., Lenoir, M. & Cardon, G. (2012). Test-retest reliability and validity of a child and parental questionnaire on specific determinants of cycling to school. Pediatric Exercise Science, 24(2), 289-311.

Gheysen, F., Loots, G. & Van Waelvelde, H. (2007). Motor development of deaf children with and without cochlear implants. Journal of Deaf studies and Deaf Education, 13(2), 215-224.

Hartman, E., Houwen, S. & Visscher, C. (2011). Motor skill performance and sports participation in deaf elementary school children. Adapted Physical Activity Quarterly, 28(2), 132-145.

Kalle, E., Van Rooijen, H. & Spapé, I. (2018). Onderzoeksresultaten fietsvaardigheid & fietsstimulering basisschoolkinderen & nieuwe Nederlanders in de provincie Utrecht. Breda, SOAB. Gedownload van www.provincie-utrecht.nl, 13 augustus 2018.

RAI (2018). Feiten en cijfers Fietsen 2018. Gedownload van www.rai.nl, 14 augustus 2018.

Rine, R.M., Cornwall, G., Gan, K., LoCascio, C., O'Hare, T., Robinson, E. & Rice, M. (2000). Evidence of progressive delay of motor development in children with sensorineural hearing loss and concurrent vestibular dysfunction. Perceptual and motor skills, 90(3 suppl), 1101-1112.

Thorslund, B., Peters, B., Lidestam, B., & Lyxell, B. (2013). Cognitive workload and driving behavior in persons with hearing loss. Transportation research part F: traffic psychology and behaviour, 21, 113-121.

Thorslund, B., Peters, B., Lyxell, B., & Lidestam, B. (2013). The influence of hearing loss on transport safety and mobility. European transport research review, 5(3), 117-127.

Wiegersma, P. H., & Van der Velde, A. V. (1983). Motor development of deaf children. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 24(1), 103-111.

Zeuwts, L., Vansteenkiste, P., Cardon, G., & Lenoir, M. (2016). Development of cycling skills in 7-to 12-year-old children. Traffic injury prevention, 17(7), 736-742.