Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
Effectiviteit en bruikbaarheid van FIT-Digitaal in TOS behandelgroepen van Auris: een pilotstudie
  • Artikel
  • Behandeling
  • Effectiviteit
  • Peuters / Kleuters
  • TOS

Effectiviteit en bruikbaarheid van FIT-Digitaal in TOS behandelgroepen van Auris: een pilotstudie

13 februari 2019 - Leestijd 20 - 25 minuten

Een kernprobleem van kinderen met TOS is de moeite die zij hebben met het verwerven van grammaticale regels voor woordvorming en zinsbouw. Het behandelprogramma FIT (Functionele Imitatie van Taalstructuren) gaat uit van functionele imitatie in een zinvolle context, is sinds 2015 vrij beschikbaar via internet als FIT-Digitaal en lijkt om diverse redenen heel geschikt voor peuters met TOS in behandelgroepen. Om dat te onderzoeken is een pilotstudie uitgevoerd.

  • Rob Zwitserlood
page.header_image.alt

Foto: Studio Oostrum

SAMENVATTING

Het doel van deze pilotstudie was om te onderzoeken of logopedisten en pedagogisch begeleiders samen effectief kunnen werken aan de grammaticale vaardigheden van peuters met TOS binnen de behandelgroepen van Auris. Het programma FIT-Digitaal is ontwikkeld om de woordvorming en zinsbouw van jonge kinderen met TOS te verbeteren via een aanpak van functionele imitatie. De resultaten tonen aan dat de peuters vooruitgang boeken in de gemiddelde uitingslengte (MLU) na een korte interventieperiode. MLU wordt bij heel jonge kinderen beschouwd als een betrouwbare maat voor grammaticale ontwikkeling. Logopedisten en pedagogisch begeleiders waren enthousiast over de interprofessionele samenwerking.

Aanleiding voor de pilotstudie

Een kernprobleem van kinderen met TOS is de moeite met het verwerven van grammaticale regels voor woordvorming en zinsbouw. Deze problemen zijn hardnekkig en de verschijningsvormen veranderen met de leeftijd (Duinmeijer, 2017; Zwitserlood, 2014). Uit interne rapportage (Koninklijke Auris Groep, 2014; Kouwenberg & de Kraker, 2015) blijkt dat de taalvaardigheid van kinderen op de Auris behandelgroepen goed vooruitgaat. De meeste groei zien we in de woordenschat, de vorderingen in zinsbouw zijn echter geringer. Onderzoek binnen de NSDSK-behandelgroepen (Vermeij et al., 2014) geeft eenzelfde beeld. De reden voor deze beperkte groei kan natuurlijk liggen in de hardnekkigheid van de grammaticale problemen. Het is echter ook mogelijk dat er binnen de behandelgroepen te weinig wordt ingezet op vroege interventies voor woordvorming en zinsbouw. Alle pedagogisch begeleiders van Auris zijn getraind in de woordenschatdidactiek ‘Met Woorden in de Weer’ (MWidW, van den Nulft & Verhallen, 2009) en woorden leren vormt dan ook een zwaartepunt in de begeleiding op de groepen. Theorieën over Het is mogelijk dat er binnen behandelgroepen nog te weinig wordt ingezet op vroege interventies voor woordvorming en zinsbouwvroege taalontwikkeling beschouwen woordenschat vaak als de ‘motor’ voor zinsproductie (Bannard et al., 2009; Bates & Goodman, 1999). Bij peuters met TOS lijkt deze ‘motor’ de zinsbouw echter onvoldoende mee te trekken. Bij de zinsbouwontwikkeling moet er veel aandacht zijn voor de functiewoorden (voegwoorden, voorzetsels, persoonswoorden) en voor werkwoord vervoegingen en argumentstructuur (onderwerp, lijdend en meewerkend voorwerp). Deze aspecten komen in de woordenschattraining wellicht te weinig aan bod. Uit onderzoek blijkt daarnaast steeds meer hoe belangrijk grammaticale vaardigheden zijn voor woordleren (syntactic bootstrapping, Christophe, et al., 2008), voor zins- en tekstbegrip (Bishop, 1997) en voor verhaalopbouw (Bishop & Donlan, 2005). Problemen in de grammaticale ontwikkeling kunnen ook lange tijd doorwerken in andere onderdelen van taalvaardigheid. Zo zijn er bijvoorbeeld grote effecten gevonden van grammaticale vaardigheden op begrijpend lezen in de latere schooljaren (Tomblin & Nippold, 2014).

Foto: Auris

FIT: Functionele Imitatie van Taalstructuren

Er is nog niet veel onderzoek gedaan naar de effectiviteit van specifieke behandelprogramma’s voor grammaticale problemen van jonge kinderen met TOS. Meer algemene technieken, zoals recasting (verbeterd teruggeven van een uiting), modeling (herhaald aanbieden van een doelstructuur, het kind luistert) en focused stimulation (aanbieden van een doelstructuur en het kind uitnodigen om die te imiteren) zijn wel effectief gebleken (Fey & Proctor-Williams, 2000). Logopedisten en pedagogisch begeleiders hebben echter veel behoefte aan gemakkelijk toepasbare behandelprogramma’s. Het behandelprogramma FIT (Functionele Imitatie van Taalstructuren, Verhulst-Schlichting & de Koning, 1988) is een programma dat uitgaat van functionele imitatie in een zinvolle context. Het programma is gebaseerd op de grammaticale ontwikkelingsvolgorde van kinderen met een normale taalontwikkeling van 0-4 jaar, zoals beschreven in TARSP (Taal Analyse Screenings- en Remediëring Procedure, Schlichting, 1987). Jonge kinderen imiteren vaak als vanzelf. De inbedding van het imiteren van grammaticale structuren in een functionele context zorgt ervoor dat het kind die structuren leert en gaat toepassen. De logopedist lokt imitatie uit door speelse handelingen te koppelen aan de oefenzinnetjes. De doelstructuren liggen daarbij net boven het grammaticale ontwikkelingsniveau van het kind. Hornsveld en Lakeman (1990) onderzochten het effect van FIT bij zes kinderen met TOS (leeftijd tussen 2;7 – 5;3 jaar). In deze kleine studie maakten vijf van de zes kinderen goede vorderingen in hun grammaticale ontwikkeling. De effectiviteit van FIT is ook onderzocht bij kinderen met een verstandelijke beperking en bij Marokkaanse kinderen (zie www.liesbethschlichting.nl). De opvolger van FIT was het programma Taalachterstand en Taalverwerving (TenT), (Schlichting & de Koning, 1999). Met deze nieuwe versie wilden de auteurs het programma geschikt maken voor een bredere groep behandelaars, zoals remedial teachers en ambulant begeleiders. TenT is echter niet meer verkrijgbaar, maar sinds 2015 is FIT vrij beschikbaar via internet als FIT-Digitaal. Iedereen kan het programma nu gratis downloaden en gebruiken (www.liesbethschlichting.nl/fit/).

Fit-Digitaal in de Auris behandelgroepen: de onderzoeksvragen

Op de Auris behandelgroepen zijn twee pedagogisch begeleiders fulltime aanwezig en er is een vaste logopedist voor anderhalve dag per week. De pedagogisch begeleiders zijn allemaal getraind in Hanen technieken en de woordenschatdidactiek MWidW. Dit is niet het geval voor specifieke programma’s of technieken gericht op verbeteren van woordvorming en zinsbouw. Het programma FIT-Digitaal lijkt om diverse redenen heel geschikt voor de peuters met TOS in de behandelgroepen. De kinderen hebben een (ontwikkelings)leeftijd waarop ze nog gemakkelijk imiteren (Berman, 2004; Speidel & Nelson, 1989). Bovendien kennen de groepen veel dagelijks terugkerende activiteiten, zoals de ochtendkring, het fruit eten en het spelen met ontwikkelingsmateriaal. Tijdens deze momenten is er veel structuur en ruime gelegenheid om op speelse wijze zinsbouwoefeningen te doen. Ook kan de logopedist van de behandelgroep de pedagogisch begeleiders coachen bij het kiezen van geschikte grammaticale doelstructuren en het toepassen van de FIT-technieken. Daarnaast kunnen de pedagogisch begeleiders FIT elke dag uitvoeren in de groep, geïntegreerd in dagelijkse activiteiten. Deze FIT activiteiten kunnen eventueel in kleinere groepjes of individueel plaatsvinden, waardoor er rekening gehouden kan worden met niveauverschillen. Zo ontstaan er meer momenten om aan zinsbouw te werken dan wanneer dit alleen bij de logopedist gebeurt.

Het doel van deze pilotstudie was te onderzoeken of FIT-Digitaal geschikt én effectief is om de grammaticale problemen van peuters met TOS in de behandelgroepen te remediëren. De concrete onderzoeksvragen waren: (1) gaat de zinsbouw van kinderen met TOS significant vooruit door toepassing van FIT-Digitaal binnen de Auris behandelgroepen? (2) is de FIT-Digitaal aanpak bruikbaar binnen de behandelgroepen van Auris? De eerste vraag is kwantitatief onderzocht door vooruitgang in zinsbouw te meten met analyses van spontane taal van de kinderen. De tweede vraag is op een kwalitatieve manier onderzocht door de logopedisten en pedagogisch begeleiders te interviewen over hun ervaringen met het programma.

Methode: de participanten

Achtentwintig kinderen zijn geïncludeerd aan het begin van de studie. Eén kind viel af, omdat het niet bij de laatste meting aanwezig kon zijn. De 27 deelnemende kinderen (22 jongens, 5 meisjes) waren gemiddeld 3;5 jaar oud en afkomstig uit vijf Auris behandelgroepen verspreid over midden, zuid en west Nederland. Twee kinderen hadden een meertalige achtergrond. Tabel 1 geeft de beschrijving van de kinderen (kalenderleeftijd en scores op taaltesten en non-verbale IQ testen bij aanvang van het onderzoek). Niet alle test(onderdelen) zijn bij elk kind afgenomen, de cognitieve mogelijkheden van de kinderen zijn met twee verschillende testen onderzocht.

Hoe hebben we de vooruitgang in zinsbouw gemeten?

Voor het beantwoorden van deze onderzoeksvraag is een pre-/post-test design gebruikt met drie metingen: twee voormetingen (T0, T1) en een meting direct na de FIT interventie (T2). De tijd tussen de metingen was telkens 7 weken. Daarmee konden we een periode usual care (T0-T1) vergelijken met een even lange interventieperiode (T1-T2). We hebben gekozen voor analyse van samples spontane taal, omdat het vanwege het test-hertest effect niet mogelijk is om gestandaardiseerde tests te herhalen binnen een kort tijdsbestek. Daarnaast is de Schlichting Test voor Zinsontwikkeling niet de beste keus om voortgang te meten als in de interventie veel met imitatie wordt gewerkt (Schlichting, 2015). Een spontane taalanalyse geeft ook een representatiever beeld van het werkelijke taalniveau van het kind. Door de natuurlijke setting bij de afname worden effecten van een slechte taakhouding, een hoge belasting voor het kind en een onnatuurlijke hoog-gestructureerde testsituatie vermeden (Blom & Unsworth, 2010).

Van alle kinderen zijn audio-opnames gemaakt die vervolgens zijn uitgeschreven in CHAT (Computerized Analysis of Human Transcripts) door de onderzoeksassistent en geanalyseerd met CLAN (Computerized Language Analysis, MacWhinney, 2000). De samples zijn gemaakt in een spelsituatie met de onderzoeker. De kinderen speelden telkens met hetzelfde materiaal (‘Playmobil® Huis') in de logopediekamer van de behandelgroep. Een enkele keer was een kind niet aanwezig tijdens de ingeplande testronde. In die gevallen heeft de logopedist van de groep zo snel mogelijk daarna een video-opname gemaakt van spel met het kind met vergelijkbaar Playmobil®-spelmateriaal en die opname aan de onderzoeker gegeven. Alle door de onderzoeksassistent uitgeschreven transcripties zijn gecheckt door de auteur en bij verschil van mening is via consensus de definitieve transcriptie bepaald. Op basis van de taalsamples zijn de MLUw (gemiddelde uitingslengte in woorden) en de MLUw-5 (gemiddelde lengte in woorden van de 5 langste uitingen) berekend.

Interventie met FIT-Digitaal in de behandelgroepen

Voorafgaand aan de interventie zijn alle pedagogisch begeleiders en logopedisten getraind in het werken met FIT via een online webinar met uitleg over het programma aan de hand van videofragmenten. Ze konden het webinar volgen op een zelfgekozen tijdstip en later nog eens terugkijken. Alle groepen kregen daarnaast een geprinte versie van het complete FIT programma. De FIT aanpak gaat uit van functionele imitatie van taalstructuren. De activiteiten zijn altijd ingebed in handelingen of spelletjes, passend bij het taal- en ontwikkelingsniveau van het kind. De trainer kiest een structuur in de naaste zone van de grammaticale ontwikkeling en lokt imitatie uit door een langzaam spreektempo, een nadrukkelijke zinsintonatie en een verwachtingsvolle houding. De trainer moet ook volhouden: het kan echt een aantal aanbiedingen duren voordat het kind de uiting compleet en correct imiteert. Als het dan nog steeds niet lukt, is het grammaticaal niveau blijkbaar te hoog en moet de trainer de doelstructuur vereenvoudigen. Al deze principes kwam in het webinar uitgebreid aan bod. Na de trainingsweek hebben de medewerkers van de behandelgroepen zeven weken lang met FIT gewerkt, ingebed in de dagelijkse activiteiten. Tussendoor kwam de onderzoeker observeren, gaf tips en beantwoordde vragen van de medewerkers. Alle pedagogisch begeleiders en logopedisten vulden wekelijks logboekjes in en mailden die aan de onderzoeker. Zo kon de therapietrouw gemonitord worden. De interventie bestond uit driemaal per week dertig minuten werken met FIT, verspreid over de dag tijdens een aantal korte activiteiten. De uitvoering verschilde tussen de behandelgroepen. In sommige groepen hadden de kinderen redelijk vergelijkbare taalniveaus en konden de FIT oefeningen groepsgewijs worden uitgevoerd. In andere groepen werd in niveaugroepjes gewerkt, enkele kinderen kregen een individuele aanpak. De logopedist kon een groepje begeleiden, individueel met een kind werken, maar fungeerde vooral als coach voor de pedagogisch begeleiders.

Resultaten (1): gaan de kinderen vooruit?

Drie kinderen spraken niet of onverstaanbaar op een of meerdere van de drie testmomenten. Als deze kinderen worden geïncludeerd in de analyses, wordt de groepsvergelijking tussen de meetmomenten onbetrouwbaar. Daarom zijn deze drie kinderen niet verder meegenomen in de analyses. In Tabel 2 staat de gemiddelde uitingslengte van de 24 resterende kinderen op de drie meetmomenten.

Gepaarde t-toetsen leveren de volgende resultaten op. Voor MLU in woorden is er tussen T0-T1 geen significant verschil: t(23) = -.532, p = .600. Tussen T1-T2 is het verschil significant: t(23) = -3.190, p = .004, effectgrootte d = 0.65 (middelgroot effect). Bij MLU-5 vinden we tussen de verschillende meetmomenten geen significante verschillen. Dit betekent dat de MLU in woorden van de kinderen wel vooruit is gegaan tijdens de interventieperiode met FIT-Digitaal, maar niet tijdens de periode usual care, waarin er niet met FIT is gewerkt. Behalve de groepsvergelijking is ook gekeken naar de ontwikkelingslijnen van de individuele kinderen. In Figuur 1 is te zien dat, hoewel er wel een effect is op groepsniveau, niet alle kinderen (in even grote mate) vooruitgingen.

Figuur 1: MLU in woorden op T0, T1 en T2 van 24 kinderen

Sluit

Resultaten (2): is FIT-Digitaal bruikbaar in de praktijk?

Na afloop van de interventieperiode zijn semigestructureerde interviews gehouden met de medewerkers van de vijf behandelgroepen. In totaal waren er 13 respondenten (8 pedagogisch begeleiders en 5 logopedisten). De interviews vonden plaats op de locaties en duurden een uur. De respondenten kregen veel gelegenheid voor het inbrengen van eigen ervaringen en ideeën. De interviews zijn opgenomen (audio) en uitgewerkt naar aanleiding van de thema’s uit onderstaande vragen. De antwoorden zijn in de tekst uitgesplitst naar ervaringen van pedagogisch begeleiders, ervaringen van logopedisten, betekenis voor de kinderen en ideeën voor de toekomst.

De ervaringen van de pedagogisch begeleiders

Er was veel waardering voor het online webinar, de FIT boeken, de tips, de betrokkenheid van de onderzoeker en het persoonlijk contact. De eerste week was het erg zoeken en wennen om het programma te leren gebruiken. Werken met FIT is echt anders dan de Hanen-technieken, waarbij je minder stuurt en meer volgend bent. Het was soms lastig om die VAT-technieken los te laten, en meer sturend en gestructureerd te werken. Het invullen van de logboekjes werd niet als belastend ervaren, maar hielp bij de reflectie en het voorbereiden van de volgende FIT activiteiten. De extra aandacht voor zinsbouw vonden de pedagogisch begeleiders een meerwaarde. Ze kregen hierdoor meer inzicht in het grammaticaal niveau van de kinderen. Een deel van de begeleiders meldde ook dat ze nu hun eigen taalniveau, spreektempo en intonatie beter konden monitoren. De pedagogisch begeleiders ervaarden veel uitdaging en plezier in het bedenken van leuke en functionele spelvormen voor de FIT activiteiten. Ze kregen ook steeds meer idee op welke momenten gedurende de dag je FIT kon inzetten. Dat was frequenter dan ze aanvankelijk dachten, ook omdat de oefenmomenten best kort mogen zijn.
Een knelpunt dat in de interviews werd gemeld, was dat je eigenlijk niet meteen vanaf de start van de groep met functionele imitatie kunt werken. De kinderen moeten eerst wennen en er moet een vertrouwensband worden opgebouwd. Daarnaast moet je echt leren werken met FIT, gerichte scholing is daarvoor noodzakelijk. Sommige pedagogisch begeleiders vonden het lastig om per dag dertig minuten FIT-activiteiten te realiseren. Er moet binnen de groepen al aan veel verschillende doelen worden gewerkt, op diverse terreinen (o.a. sociaal-emotionele ontwikkeling, motoriek, woordenschat, communicatieve voorwaarden, aandacht, gedrag). Het inbouwen van FIT in al die doelen was niet eenvoudig.

De ervaringen van de logopedisten

De logopedisten vonden hun coachende rol heel waardevol. Zij konden de pedagogisch begeleiders goed begeleiden bij het kiezen van grammaticale doelstructuren en het gebruik van de FIT technieken.De logopedisten vonden hun coachende rol heel waardevol De samenwerking tussen logopedist en pedagogisch begeleiders kreeg in dit project een extra boost, doordat er meer overleg was rondom concrete thema’s, zoals het zinsbouwniveau van de kinderen, welke oefeningen er gedaan werden, wat werkt wel en wat werkt niet?

Betekenis voor de kinderen

De FIT aanpak is niet voor alle kinderen even geschikt. Dit zijn bijvoorbeeld kinderen die niet (durven) spreken; kinderen met ernstige gedragsproblemen en onvoldoende taakgerichtheid; en kinderen die nog niet voldoen aan de communicatieve voorwaarden, zoals luisterhouding, oogcontact en aandacht. Bij kinderen met (een vermoeden van) ASS kan het imiteren uitmonden in niet functioneel papegaaien. Sommige kinderen met spreekangst profiteerden juist wel van de FIT aanpak. Ze hoefden niet zelf een uiting te bedenken, maar konden de uiting van de volwassene imiteren en zo samen speels en communicatief bezig zijn. De kinderen moesten soms wel wennen aan deze nieuwe, meer sturende aanpak van de pedagogisch begeleiders. Sommige kinderen reageerden in het begin verbaasd dat de pedagogisch begeleiders het spreekinitiatief namen en een respons probeerden uit te lokken.

De toekomst

Veel pedagogisch begeleiders en logopedisten staan positief tegenover het invoeren van FIT-Digitaal binnen de groepen. Een aantal voordelen zijn hierboven al benoemd. Een invoeringstraject, waarin alle medewerkers scholing krijgen en ook gecoacht worden op de groepen, is daarbij noodzakelijk. Een e-learning module met instructiefilmpjes zou een passende vorm zijn om FIT in te voeren. Daarbij is het belangrijk om veel nieuwe filmpjes te maken op de groepen en de al ervaren medewerkers te betrekken bij een invoeringstraject.

Discussie

Het doel van deze studie was te onderzoeken of de FIT aanpak binnen de behandelgroepen effectief en bruikbaar is. Uit de resultaten blijkt dat de kinderen in de interventieperiode met FIT significant vooruitgingen op de gemiddelde uitingslengte (MLU). Dit was niet het geval tijdens de periode usual care, voorafgaand aan de interventie. De groei in de MLU werd gevonden na een vrij korte interventieperiode van zeven weken. Met een effectgrootte tussen medium en groot is dit een betekenisvol resultaat. MLU wordt internationaal beschouwd als een betrouwbare maat voor grammaticale ontwikkeling bij jonge kinderen met een laag taalniveau. Bij de analyse voor MLU-5 (de vijf langste uitingen) werd geen effect gevonden, vooral de kortere uitingen van de kinderen zijn dus in lengte toegenomen. De resultaten uit de interviews na afloop van de interventie geven een overwegend positief beeld over de bruikbaarheid van FIT binnen de behandelgroepen. Meer aandacht voor grammatica werd als positief ervaren. Werken met FIT vergrootte de kennis bij de pedagogisch begeleiders over de grammaticale ontwikkeling van jonge kinderen met TOS en daardoor de bewustwording bij professionals over deze problematiek. Pedagogisch begeleiders kregen ook meer inzicht in het eigen taalaanbod en de samenwerking met de logopedisten kreeg een extra boost. Maar er zijn ook een aantal kanttekeningen. Als er in niveaugroepjes moest worden gewerkt, eiste dat extra organisatie. Sommige pedagogisch begeleiders vonden het lastig om per dag dertig minuten FIT te Werken met FIT vergrootte de bewustwording bij professionals over de grammaticale ontwikkeling realiseren. Bij een eventuele invoering van FIT als groepsaanpak is een handreiking over het inpassen van FIT in de groepsdoelen noodzakelijk. Een voorbeeld is de aandacht voor woordenschatontwikkeling binnen de groepen. Woorden leren gebeurt door de doelwoorden aan te bieden in context. Door deze woorden geïntegreerd aan te bieden in FIT oefeningen, kunnen de doelen voor woordenschat en zinsbouw gekoppeld worden, zeker tijdens de consolideringsoefeningen.

Deze pilotstudie had ook een aantal beperkingen. In dit onderzoek was de groei in MLU gemiddeld 0,25 woord, wat relatief klein is. Ook was er veel variatie in groei te zien bij de deelnemende kinderen, zoals te zien in Figuur 1. Het zou mooi zijn om in een vervolgstudie FIT gedurende een langere periode aan te bieden om zo de ontwikkeling van de kinderen langer te kunnen volgen. Een vervolgstudie met een strikter design, bijvoorbeeld met meerdere nulmetingen voorafgaand aan de interventie, of het toevoegen van een controlegroep die alleen usual care krijgt, zou de effectiviteit van FIT als groepsaanpak verder kunnen onderbouwen.

Conclusie

Uit deze pilotstudie komt naar voren dat FIT-Digitaal een waardevolle aanvulling op het huidige groepsaanbod kan zijn. Kinderen laten groei in zinsbouw zien in een relatief korte periode. Vervolgonderzoek is aan te bevelen om de effectiviteit van de interventie verder te onderbouwen. Pedagogisch begeleiders krijgen meer kennis over grammaticale ontwikkeling en de samenwerking tussen logopedist en begeleiders wordt geïntensiveerd. Hierdoor wordt het handelingsrepertoire op de behandelgroepen op een evidence-based wijze vergroot. Meer aandacht voor de grammaticale ontwikkeling van peuters met TOS kan een positief effect hebben op woordenschat, taalbegrip en uitingsmogelijkheden. De samenwerking tussen logopedisten en pedagogisch begeleiders is een mooi voorbeeld van interprofessioneel werken en kan leiden tot een meer integratieve behandeling van de taalproblemen van jonge kinderen met TOS.

Dankwoord

Dit onderzoek is mede mogelijk gemaakt met een subsidie van de Programmaraad Verbindend Vernieuwen. Aan deze studie hebben veel mensen meegewerkt. Mijn speciale dank gaat uit naar alle ouders en kinderen, alle medewerkers van de Auris behandelgroepen Regenboog, Bumba, Ieniemienie, Parels en Vlinder. Veel dank aan Lisa de Wit en Jessica van Herel voor hun hulp met de transcripties.

Literatuur

Literatuur

Bannard, C., Lieven, E., & Tomasello, M. (2009). Modeling children’s early grammatical knowledge. Proceedings of the National Academy of Sciences, 106 (41), 17284-17289.

Berman, R.A. (2004). Language development across childhood and adolescence. Amsterdam: John Benjamins Publishing Company.

Bates, E., & Goodman, J. (1999). On the emergence of grammar from the lexicon. In B. MacWhinney (Ed.), The emergence of language. Mahwah, NJ: Lawrence Erlbaum Associates.

Bishop, D. & Donlan, C. (2005). The role of syntax in encoding and recall of pictorial narratives: Evidence from specific language impairment. British Journal of Developmental Psychology, 23: 25-46.

Blom, E. & Unsworth, S. (2010). Introduction. In E. Blom & S. Unsworth (Eds.), Experimental methods in language acquisition research (Language learning & language teaching, 27), pp. 1-10. Amsterdam: Benjamins.

Christophe, A., Milotte, S., Berbal, S. & Lidz, J. (2008). Bootstrapping lexical and syntactic acquisition. Language and Speech, 51 (1&2), 61-75.

Duinmeijer, I. (2017). Persistent grammatical difficulties in Specific Language Impairment. LOT Dissertation Series, 440. Utrecht: LOT Publications.

Fey, M., & Proctor-Williams, K. (2000). Recasting, elicited imitation and modeling in grammar intervention for children with specific language impairments. In D.V.M. Bishop & L.B. Leonard (eds). Speech and language impairments in children. Causes, Characteristics, Intervention and Outcome. Philadelphia, PA: Taylor & Francis.

Hornsveld, M., & Lakeman, E.A. (1990). De FIT in de praktijk getoetst. Logopedie en Foniatrie, 62: 160–165.

Kouwenberg, M. & de Kraker, L. (2015). Behandeling peuters met TOS: Verwachtingen en uitkomsten. Presentatie Simeacongres 2015.

Koninklijke Auris Groep (2014). Rapportage Voortgang Verbeterafspraak Geaggregeerde Zorgplangegevens (interne publicatie).

MacWhinney, B. (2000). The CHILDES Project: Tools for Analyzing Talk. 3rd Edition. Mahwah, NJ: Lawrence Erlbaum Associates.

Nulft, D. van den & Verhallen, M. (2009). Met woorden in de weer. Praktijkboek voor het basisonderwijs. (tweede herziene druk). Bussum: Coutinho.

Schlichting, L. (1987). TARSP, Taal Analyse Remediëring en Screening Procedure, Taalontwikkelingsschaal van Nederlandse kinderen van 1‑4 jaar. Lisse: Swets en Zeitlinger/ Amsterdam: Pearson.

Schlichting, L. & de Koning, G. (1998). TenT, Taalachterstand en Taalverwerving: Taalprogramma voor kinderen met een grammaticale en een lexicale achterstand. Lisse: Swets en Zeitlinger.

Schlichting, L. & de Koning, T. (2015). FIT Digitaal, een interactief taalprogramma voor de zinsbouw. http://www.liesbethschlichting.nl/fit/.

Speidel, G.E. & Nelson, K.E. (1989). A fresh look at imitation in language learning. In Speidel, G.E. & Nelson, K.E. (Eds). The many faces of imitation in language learning (pp 1-21). Springer Series in Language and Communication. New York, NY: Springer.

Tomblin, J. ., & Nippold, M.A. (Eds.) (2014). Understanding individual differences in language development across the school years. New York, NY: Psychology Press/Taylor & Francis.

Vermeij, B.A.M., Wiefferink, K., van der Zee, R.B., Uilenburg, N. (2014). Effect van behandelgroepen voor kinderen met taalontwikkelingsstoornissen. Nederlands Tijdschrift voor Logopedie, 86 (6), 6-11.

Verhulst-Schlichting, L. & de Koning, G. (1988). FIT: Functionele Imitatie van Taalstructuren. Taalprogramma voor kinderen met een grammaticale achterstand. Lisse: Swets en Zeitlinger.

Zwitserlood, R. (2014). Language Growth in Dutch School-Age Children with Specific Language Impairment. LOT Dissertation Series, 356. Utrecht: LOT Publications.