Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
Rolmodel van grote waarde voor dove leerlingen in regulier onderwijs

Rolmodel van grote waarde voor dove leerlingen in regulier onderwijs

1 mei 2020 - Leestijd 5 - 10 minuten

Dove en slechthorende leerlingen in het regulier onderwijs missen vaak rolmodellen. De Ambulante Dienst van Kentalis is daarom een pilot gestart met een leerkrachtondersteuner die zelf doof is. ‘Na een half jaar hebben we die pilotfase eraf gehaald want we waren zo enthousiast. Het is nu een reguliere activiteit’, vertelt afdelingsdirecteur Gerda Gorter.

page.header_image.alt

Foto: Nicole Honeywill Pictures

In november 2017 organiseert Siméa een conferentie over de toekomst van het onderwijs aan doven en slechthorenden. Belangengroepen, ouders en onder andere medewerkers uit het regulier en speciaal onderwijs wisselen een dag ideeën uit. Ze constateren dat dove en slechthorende leerlingen in het regulier onderwijs rolmodellen missen. Aanbeveling is meer gebruik te maken van ervaringsdeskundigen. De Ambulante Dienst van Kentalis in de regio Arnhem/Doetinchem pakt dit op en begint een proef.

Pilot blijkt snel succesvol

Eigenlijk wisten we al heel snel na de start van de pilot dat het een succes was. De reacties van AB’ers, leerkrachten, leerlingen en ouders waren zo positief over de inzet van Nina’ zegt afdelingsdirecteur Gerda Gorter. Leerkrachtondersteuner Nina van Wieringen is doof en heeft een CI. Ze lacht als ze terugdenkt aan de start en net zo bevlogen als Gorter vervolgt ze: ‘Collega’s vonden het fijn dat ze bij mij terecht konden met hun vragen en voor advies over doofheid en slechthorendheid. Dove en slechthorende leerlingen vinden het fijn met iemand in gesprek te gaan die weet waar ze zelf tegenaan lopen. Ik heb vroeger op een reguliere school gezeten. Ik weet als geen ander waar je tegenaan kunt lopen.'

Voordat de proef begon had de Ambulante Dienst in Arnhem al enige tijd ervaring met leerkrachtondersteuners voor leerlingen met TOS. Dat was en is nog steeds een succes. Voor dove en slechthorende leerlingen in deze regio bestond deze vorm van begeleiding niet. In 2018 kwam hierin echter verandering. Een leerkrachtondersteuner van TOS-leerlingen voert in opdracht van een AB’er taken uit en werkt vaak met individuele kinderen.

Hoe ziet het werk van een leerkrachtondersteuner eruit?

Het werk van Van Wieringen ziet er iets anders uit. Naast individuele begeleiding, doet ze veel aan expertiseoverdracht aan bijvoorbeeld teams. Ook heeft ze regelmatig contact met ouders. Gorter: ‘Dit gaat in samenspraak met AB’ers, maar vaak heeft Nina ook een leidende rol. De AB’er neemt het initiatief en bepaalt in overleg welke interventie vanuit Nina wenselijk is. Vervolgens neemt ze het over en doet de AB’er een stapje terug. De combinatie van professional, ervaringsdeskundige, gebarentaalvaardig en goed kunnen communiceren met mensen in het regulier onderwijs is belangrijk. Nina is heel toegankelijk.’

Begeleiding heel divers

De Ambulante Dienst van Kentalis in de regio Arnhem/Doetinchem begeleidt ongeveer 850 leerlingen waarvan een kwart doof of slechthorend is. Een groot deel hiervan volgt primair en middelbaar onderwijs, maar ook MBO’ers en een enkele HBO’er krijgen begeleiding. ‘Dit is maatwerk’, vertelt Van Wieringen. ‘Je kijkt wat de leerling nodig heeft. Je gaat in gesprek met leerkrachten, ouders en ambulant begeleiders en samen maak je een plan. Mijn inzet kan heel verschillend zijn. Soms heb ik een paar gesprekken met een leerling, maar een traject kan ook langer duren. Afhankelijk van de situatie richt ik me op de leerling, leerkracht, ouders of het team. Ik geef psycho-educatie, maar help soms ook een kind met het voorbereiden van een spreekbeurt of geef een paar lessen gebarentaal.’

Meerwaarde van de ervaringsdeskundige

Op de vraag wat de meerwaarde van een ervaringsdeskundige is, antwoordt Gorter: ‘Nina begrijpt het gedrag van de leerlingen vaak beter. Jonge kinderen zijn veelal nog niet in staat om dingen te verwoorden. Een ouder en een leerkracht proberen een kind te begrijpen, door zich te verplaatsen in het kind, maar dat is soms lastig voor een horende. Nina kan uitleggen hoe de belevingswereld van een doof kind eruit ziet. Voor oudere leerlingen is Nina echt een rolmodel.’ Van Wieringen knikt bevestigend. ‘Dove kinderen in het reguliere onderwijs zijn vaak intelligente kinderen die hun gehoorverlies compenseren door veel te kijken, maar dit kost heel veel energie. Ik zie dat en kan uitleggen waarom. Als ze jonger zijn hebben kinderen meer praktische vragen. Hoe werkt mijn solo-apparatuur? Dan ben je ook meer met vragen van leerkrachten bezig als: hoe moet ik die solo-apparatuur inzetten? Welke plek in het lokaal zou geschikt zijn voor de leerling? Vanaf groep 7 en 8 zie je dat dove leerlingen het meest behoefte hebben aan een doof rolmodel. Ik krijg dan vragen over identiteit en schaamte. Maar ook voelen dove jongeren nogal eens onbegrip. Zoiets van: hij is doof dus dan hoeven we niets van hem te verwachten. Kinderen uit groep 8 moet je voorbereiden op het voortgezet onderwijs. Hoe ga je om met verschillende leerkrachten en verschillende lokalen? En hoe zet je een tolk in?’

Gorter: ‘Bij MBO’ers spelen ook vragen over stage en werk. Stagebegeleiders weten vaak niet wat de consequenties zijn van doofheid. Je ziet studenten dan worstelen met vragen als: hoe vertel ik het? En hoe kan ik laten zien wat ik wel kan? In het reguliere onderwijs is niet veel bekend over slechthorendheid en doofheid en daardoor krijgen die kinderen niet altijd wat ze nodig hebben en komen ze niet goed tot ontplooiing.’‘Dat is jammer’, bevestigt Van Wieringen. ‘Ik ga bij de leerlingen uit van mogelijkheden. Er wordt nog te veel gedacht van: Dat kan ik niet of dat kan hij niet. Daar willen we een omslag maken.

Veel vraag

Een half jaar na de start is de pilot geëvalueerd. Gorter: ‘Collega’s en het regulier onderwijs zijn bevraagd. Op basis hiervan is de pilotfase gestopt. Vooral ouders waren ook erg enthousiast. Nina laat zien aan ouders wat hun kind meemaakt. Als Nina het zegt, is het waar. Het heeft ook een enorme meerwaarde dat Nina hier collega is. De AB’ers hier hebben niet per definitie veel ervaring met doven en slechthorenden.’Op de vraag wat een goede leerkrachtondersteuner in huis moet hebben, antwoordt Van Wieringen: ‘Je moet de gebarentaal beheersen, bekend zijn met onderwijs en dit kunnen overdragen.’ Gorter knikt en vult aan: ‘Je bent doof of slechthorend en hebt ervaring in de zoektocht naar identiteit. Belangrijk is ook dat je laagdrempelig bent in de communicatie.’

Enthousiast kijken beiden elkaar aan. Gorter: ‘Eigenlijk wisten we vooraf al dat hiernaar veel vraag zou zijn.’ Van Wieringen: ‘Ja, we kunnen de vraag niet aan.’