Ga naar hoofdcontent Ga naar de hoofdnavigatie
Nieuwkomers in het onderwijs: op zoek naar een goede aanpak
  • Interview
  • Meertaligheid
  • Onderwijs
  • TOS

Nieuwkomers in het onderwijs: op zoek naar een goede aanpak

11 april 2019 - Leestijd 8 - 10 minuten

Er is een toenemende groei van het aantal anderstalige kinderen binnen het reguliere onderwijs. De vraag rijst welke kennis het reguliere onderwijs nodig heeft over meertaligheid en het leren van Nederlands als tweede taal (NT2). En heeft het reguliere onderwijs voldoende kennis over taalontwikkelingsstoornissen (TOS) en het verschil tussen NT2 en TOS? Hoog tijd om beide perspectieven samen te brengen in een gesprek met twee experts bij uitstek, Maaike Hajer en Ellen Gerrits.

  • Mirjam Blumenthal
  • Bernadette Vermeij
page.header_image.alt

Foto: Pragyan Bezbaruah

Wie zijn Maaike Hajer en Ellen Gerrits?

Maaike Hajer

is hoogleraar aan de Universiteit van Malmö, lector aan de Hogeschool Utrecht, en expert op het gebied van Nederlands als Tweede Taal.

Ellen Gerrits

is hoogleraar Logopediewetenschap aan de Universiteit Utrecht, lector logopedie op de Hogeschool Utrecht, en expert op het gebied van TOS.

“Dus als ik het goed begrijp kunnen ook eentalige kinderen TOS hebben? Wij sturen alleen meertalige kinderen door.” - dit was een opmerking van een leerkracht uit het reguliere onderwijs tijdens kennisoverdracht vanuit onze sector. En er lijken steeds vaker onterecht meertalige kinderen uit het reguliere onderwijs doorverwezen te worden naar Audiologische Centra en Cluster 2 scholen met vragen over een mogelijke TOS. De verwarring is kennelijk groot. Herkennen jullie dat?

Gerrits: “Het systeem werkt inderdaad niet goed. Omdat het reguliere onderwijs niet precies weet hoe met deze kinderen om te gaan, komen veel meertalige kinderen bij de eerstelijns logopedie, gespecialiseerde TOS-vroegbehandeling of cluster-2 onderwijs terecht, waardoor bijvoorbeeld juist weer een groei van kinderen in het speciaal onderwijs ontstaat. Hierdoor zitten er waarschijnlijk kinderen in cluster 2 die eigenlijk een probleem hebben met het leren van Nederlands als tweede taal, maar geen duidelijke taalstoornis hebben. We zouden de handelingsverlegenheid binnen het reguliere onderwijs aan moeten pakken. Er is trouwens niet alleen sprake van overdiagnose, maar ook van onderdiagnose, omdat de diagnostiek complex is. Sommige meertalige kinderen die wél TOS hebben worden niet, of relatief laat geïdentificeerd.” Hajer beaamt die handelingsverlegenheid en vult aan: “Voor mij is een hoofdpunt dat we nog te veel bezig zijn met problemen van individuele kinderen. Ik denk dat je moet zorgen dat leerkrachten meer kennis en vaardigheden krijgen op het gebied van onderwijs voor alle kinderen die Nederlands aan het leren zijn. Dan weten ze beter hoe te reageren op verschillen in de taalontwikkeling en de meertalige situatie.”

Wat zouden mogelijke oplossingen kunnen zijn?

Volgens Gerrits kunnen we wel tijdelijke oplossingen bedenken maar dat zijn lapmiddelen en geen structurele oplossingen. “We moeten veel meer out of the box denken. Er zijn in Europa maar 10 landen met speciaal onderwijs. In veel landen werken logopedisten in reguliere scholen en vindt taaltherapie in school plaats. Voor kinderen die een intensievere vorm van ondersteuning nodig hebben zijn er de zogenaamde taalunits, met logopedisten en SEN (special educational needs, red) leerkrachten. Het kind zit dan in het reguliere onderwijs, maar ook een dagdeel in een kleiner groepje met aandacht voor taal. Ik denk dan ook dat we de expertise van het cluster-2 onderwijs veel zichtbaarder moeten maken en meer moeten inzetten in het reguliere onderwijs dan nu gebeurt.” Ook Hajer is een voorstander van meer inclusief onderwijs. “Zweden is daar een voorbeeld van. Met veel expertise in de school. Een schoolleider kijkt naar wat een kind nodig heeft, wat daarvan gerealiseerd kan worden in de reguliere klas en waar extra ondersteuning en expertise nodig is, zo mogelijk ook binnen die reguliere groep. Nu is de benadering dat je naar individuele kinderen kijkt en naar welke deficiënties ze hebben, in plaats van we moeten de expertise van het cluster-2 onderwijs veel zichtbaarder maken en meer inzetten in het reguliere onderwijs dan nu gebeurtgoed te kijken naar wat we op die scholen kunnen doen om voor alle kinderen de taalontwikkeling te bevorderen.” Hajer pleit er ook voor om op alle scholen leerkrachten te hebben met de bevoegdheid om Nederlands als tweede taal te onderwijzen. “Het is hard nodig dat er duidelijkheid komt over de bekwaamheden die in iedere school aanwezig zouden moeten zijn. Dan kunnen schoolleiders daar hun personeelsbeleid op baseren en gericht zoeken naar opleidingen en nascholingen waar leraren zich verder kunnen bekwamen.”

Een andere optie is het centraliseren van kennis. Dit is iets waar Gerrits voor pleit: “Er bestaat een netwerk van meertalige logopedisten. Het zou mooi zijn als meertalige professionals in diagnostische centra en scholen worden aangesteld.” Ook zou het helpen als dit netwerk beschikbaar is voor online consultatie: “Stel, je maakt een spontane taalopname van de thuistaal van een kind. Als je dit kunt delen met iemand in het meertalige logopedistennetwerk die deze taal spreekt is een veel objectiever oordeel mogelijk over het niveau van de taalvaardigheid.” Hajer: “Het is nu nog een probleem om in het reguliere onderwijs specialisten te betrekken die kunnen diagnosticeren met inzet van de eigen taal, dat moet veranderen”. In Zweden is bij wet geregeld dat nieuwkomerskinderen een brede intake krijgen vanuit de eerste taal. Daaruit volgt wat het kind nodig heeft, of het kind misschien specialistische hulp nodig heeft, maar ook wat het kind al kan op verschillende vakgebieden in de eerste taal.”

Wat hoogleraren Maaike Hajer (l) en Ellen Gerrits (r) betreft, mag het onderwerp 'onderwijs aan nieuwkomers' hoog op de politieke agenda komen
Foto: Gerard Helt

Wat hoogleraren Maaike Hajer (l) en Ellen Gerrits (r) betreft, mag het onderwerp 'onderwijs aan nieuwkomers' hoog op de politieke agenda komen

Wat zou het betekenen als je een inclusieve benadering in Nederland zou willen hebben?

Hajer: “In Nederland is onderwijs aan meertaligen geen professioneel veld met een duidelijke keten van kennis tussen onderzoek, begeleiding, opleiding, en verschillende beroepskrachten in de school. Mede daardoor is er geen gedragen visie op taken en verantwoordelijkheden, in relatie tot vereiste scholing en opleiding. Niet alleen op scholen, maar ook in de onderwijsverzorging (begeleidingsdiensten bijvoorbeeld) zou daar veel meer lijn en beleid in moeten komen. Nu moet elke school individueel naar oplossingen zoeken”. “Ik verwacht dat het aantal meertalige kinderen alleen maar zal toenemen en daarom is het belangrijk dat kennis over meertaligheid en NT2 onderdeel is van opleidingen zoals de PABO en de logopedie opleiding”, aldus Gerrits. “We kunnen leren van goede praktijken in andere landen, zoals Zweden.”

Jullie bepleiten aandacht voor de eerste taal. Dat klinkt sympathiek, maar is het ook bewezen effectief?

Hajer verwijst naar een grote reviewstudie van Thomas and Collier waaruit blijkt dat het inzetten van de eerste taal effectiever is om de schoolloopbaan en de tweede taal te verbeteren. “In kleine taalgebieden als Nederland denken we dat we het wiel moeten uitvinden, maar dat hoeft misschien wel niet. Dit is een gedegen overzichtsstudie waar we vanuit kunnen gaan. Het taboe om de eigen taal in te zetten en de eenzijdige focus op Nederlands zijn niet meer van deze tijd, waarin meertaligheid blijvend deel is van de samenleving.” “Het onderzoek naar effecten van taaltherapie in de eerste èn tweede taal staat nog in de kinderschoenen, maar de eerste studies laten positieve resultaten zien op de taalvaardigheid in beide talen, terwijl de eerste taal niet vooruitgaat als taaltherapie zich alleen op de tweede taal richt”, aldus Gerrits.

De weg daarnaartoe lijkt echter niet eenvoudig. Hoe komen we weer een stap verder?

Zowel Gerrits als Hajer benoemen dat de PO-raad, de sectororganisatie voor het primaire onderwijs, een toegankelijk boekje heeft laten ontwikkelen en verspreiden over een brede visie op onderwijs aan nieuwkomers. Daarnaast zijn er rapporten van de Onderwijsraad, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, NRO-studies (Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek) waarin alternatieven uit Vlaanderen en Zweden worden beschreven. Het onderwerp zou op de politieke agenda moeten komen om wenselijke sturing te bespreken. Gerrits geeft aan dat het veld veel vragen heeft over diagnostiek en logopedische behandeling van meertalige kinderen en volwassenen en dat deze vragen daarom zijn opgenomen in de eerste Kennisagenda Logopedie die op 5 december 2018 aan de minister van VWS is aangeboden. Het onderwerp ‘onderwijs aan nieuwkomers’ zou op de politieke agenda moeten komen Ze hoopt dat de minister geld vrijmaakt voor een ZonMw onderzoeksprogramma Paramedische zorg, zodat deze vraag echt opgepakt kan worden. Maar ook de scholen en hun besturen zelf zouden meer mogen bespreken binnen hun regio dat ze zoekende zijn in een juiste aanpak en meer kennis nodig hebben op dit gebied. Mogelijk is expertise samen met opleidingen structureler op te bouwen. Beide hoogleraren zijn enthousiast en zien meteen kansen voor samenwerking in de toekomst. Wordt vervolgd dus!